In het Brugse Groeningemuseum loopt tot 6 maart 2016 een kleine, fijne tentoonstelling over de herontdekking van de Vlaamse primitieven in de negentiende eeuw. Want tijdens de eeuwen daarvoor waren Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en consorten in de vergetelheid geraakt.

2015-52_12_Mythische primitieven (Medium)De Vlaamse primitieven stonden in hun vijftiende eeuw hoog aangeschreven en hun invloed zou tot diep in de zestiende eeuw blijven duren. Maar tijdens de eeuwen daarna verdwenen deze kunstenaars, samen met hun stijl van schilderen, in de vergeethoek. Pas in de negentiende eeuw werden de schilderijen van de late middeleeuwen opnieuw ontdekt, verzameld en geïnterpreteerd. Trouwens, de term ‘Vlaamse primitieven’ dateert van de jaren 1840. Voordien werd hun werk omschreven als ‘gotische schilderkunst’. Het woord ‘primitief’ had geen negatieve bijklank. Het gold als uitdrukking van een gevoel, van het delicate en van de christelijke zachtheid die de schilderijen kenmerken.

Memling en Van Eyck

Dat de herontdekking van de Vlaamse primitieven plaatsvond in de negentiende eeuw is geen toeval. De belangstelling voor de oude Vlaamse meesters kadert in de algemene context van gotisch reveil die zich toen over heel Europa verspreidde. Kunstenaarsanekdotes en -legendes werden van onder het stof gehaald. Vooral het leven en het werk van Jan van Eyck en Hans Memling spraken tot de verbeelding van de negentiende-eeuwse kunstenaars. Het eerste deel van de tentoonstelling illustreert dat met anekdotische genrestukken en historietaferelen die verband houden met Van Eyck en Memling, en ook met Hugo van der Goes en Jheronimus Bosch, die alle vier vertegenwoordigd zijn in de Groeningecollectie. Zo is er een schilderij van Joseph Ducq uit 1820-‘29 met de afbeelding van Antonello da Messina in het atelier van Jan van Eyck. Bij de personages op het doek is ook de zus van Van Eyck, waarvoor Ducq zich liet inspireren door het portret dat Jan van Eyck in 1439 schilderde van zijn echtgenote en dat sinds 1808 in de Brugse academie bewaard wordt. Het paneel op de schildersezel, waar Van Eyck aan het werk is wanneer Antonello de Messina binnenkomt, is een getrouwe weergave van de ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’, een iconische Van Eyck uit de Groeningeverzameling. Elementen uit dat paneel gebruikte Edouard Walleys in 1850 voor zijn historiestuk met de voorstelling van hertog Filips de Goede die een bezoek brengt aan het atelier van Jan van Eyck. Een andere legende die de negentiende-eeuwse Brugse schilders inspireerde, is de fabel dat Hans Memling als gewonde soldaat zou zijn opgenomen in het Sint-Janshospitaal en als dank voor zijn genezing een aantal werken zou hebben geschilderd die zich nu nog ter plaatse bevinden.

Het tweede deel van de tentoonstelling stelt werk van twee Brugse kunstenaars centraal. Wat betreft inhoud, stijl en materiaalkeuze grijpen die terug naar de kunst van de Vlaamse primitieven. Er zijn twee triptieken van Eugène Legendre die een ijkpunt vormen binnen de Brugse neogotische paneelschilderkunst. Ze worden omringd door representatieve werken van Edmond van Hove. Door het overnemen van de laatmiddeleeuwse schilderstijl en het detailrealisme stond Van Hove bij zijn tijdgenoten bekend als ‘de moderne Memling’.

Voor deze dossiertentoonstelling heeft het Groeningemuseum schilderijen uit de eigen collectie aangevuld met bruiklenen uit binnen- en buitenland. Ze geven een mooi beeld van de romantische recuperatie in het negentiende-eeuwse Brugge.

MMMV