Vorige week hadden we over de soms onwennige manier waarmee president François Hollande reageerde op de herdenkingen rond de 20ste verjaardag van het overlijden van zijn voorganger François Mitterrand. De ‘sfinx’ of de ‘Florentijn’, zoals Mitterrand genoemd werd, zou er smakelijk om kunnen lachen.

Mensen als François Hollande – te veel een dossiervreter en cijferman – lagen bij Mitterrand nooit in de bovenste schuif. Los van de klassieke paladijnen liet Mitterrand zich het liefst omringen door mensen die verstand hadden van literatuur en geschiedenis. Op zijn laatste dag als president – 17 mei 1995 – lunchte hij met schrijver en essayist Jean d’Ormesson. Niet met een politicus, laat staan met zijn opvolger Jacques Chirac. Mitterrand was op zijn best wanneer hij kon praten met schrijvers, ook buitenlandse, zoals Ernst Jünger. In zijn testament werd expliciet opgenomen dat zijn minnares (of beter, zijn ‘tweede officieuze vrouw’) Anne Pingeot en zijn dochter Mazarine de erfgenamen zouden worden van zijn uitgebreide Pléiade-reeks, de luxueus uitgegeven boeken van de belangrijkste Franse auteurs. Van Mitterrand was geweten dat hij altijd wel een literair of (politiek)-filosofisch werk bij zich had wanneer hij op reis moest. Hij kende het werk van de auteurs uit zijn jonge jaren zeer goed. Paul Valéry en François Mauriac bijvoorbeeld, maar ook Paul Claudel, Henry de Montherlant en ja, ook de pro-Duitse Pierre Drieu la Rochelle.

Een uitgebreid eerbetoon

De man uit Jarnac zou dan ook zeer blij zijn geweest, mocht hij weten dat er, naar aanleiding van de herdenkingen, opnieuw een hele reeks boeken over hem worden gepubliceerd. Het ene weliswaar al absurder dan het andere. Het meest aanbevelenswaardige is ‘Dites-leur que je ne suis pas le diable’ van Georges-Marc Benamou, de man die twintig jaar geleden al ‘le dernier Mitterrand’ publiceerde over de laatste dagen van de president. Op dit boek gaan we de komende weken in een aparte bijdrage dieper in. Laure Adler, jarenlang medewerkster van Mitterrand, schreef een boek over belangrijke data in het leven van de man. Robert Schneider, de auteur van de familiegeschiedenis van de Mitterrands, bracht een boek uit over de moeilijke en gespannen relatie tussen Mitterrand en zijn politieke vijand Charles de Gaulle. Minder relevant is ‘le dictionnaire amoureux de Mitterrand’ van Jack Lang, indertijd de minister van Cultuur van Mitterrand. Dat was een echte paladijn en verdient bijgevolg weinig aandacht. En dan hebben we het nog niet over de uitgebreide biografieën van Eric Roussel en Michel Winock die al vorig jaar van de persen rolden.

Mitterrand als schrijver

Wat boekenvriend Mitterrand het meest zou geplezierd hebben, is dat zijn eigen schrijfwerk nu ook in verzamelbundels wordt uitgegeven, door de uitgeverij ‘Les Belles Lettres’. Acht delen, om precies te zijn. De eerste twee delen zijn al van de persen gerold. Mitterrand verklaarde ooit in het tv-boekenprogramma ‘Apostrophes’: “Ik wou een deel van mijn leven wijden aan het opbouwen van een literair oeuvre. Als ik tenminste niet opgeslorpt was geweest door de politiek.” Aan Elie Wiesel verklaarde Mitterrand in de herfst van zijn leven: “Als adolescent dacht ik aan een leven als schrijver. Maar eigenlijk was ik liever volkstribuun in de Conventie geweest aan het einde van de 18de eeuw.”

De verzamelde werken van Mitterrand zijn natuurlijk geen literatuur. Het gaat grotendeels om politieke essays, pamfletten en memoires.  Jean-Joël Jeanneney schrijft het in de inleiding: het is niet altijd even meeslepende lectuur. En de stijl van Mitterrand is zeker niet buitengewoon. De eerste werken gaan over zijn stappen in de politiek waarbij hij de belangen van de vroegere Franse krijgsgevangenen verdedigt (Les prisonniers de guerre devant la politique, 1945), over het Frankrijk van de Vierde Republiek (Aux frontière de l’Union française, 1953), de dekolonisatie (Présence française et abandon, 1957) en zelfs over het China van Mao (La Chine au défi, 1961). Mitterrand was één van de velen die niet doorhadden hoe het land te leiden had gehad onder de hongersnood ten gevolge van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’.

Het eerste echt degelijke werk van Mitterrand is ongetwijfeld zijn antigaullistisch pamflet ‘Le Coup d’Etat permanent’ (1964). Daarin is een gedreven politicus aan het woord; al overdrijft Mitterrand wanneer hij Charles de Gaulle met Franco en zelfs Adolf Hitler vergelijkt. En wat te denken van de analogie die hij maakt tussen de Vijfde Republiek en het regime van Vichy? Voor iemand die in 1942 van maarschalk Pétain de hoogste onderscheiding kreeg, had Mitterrand echt veel lef. De werken tot 1971 zijn nu uitgegeven en het is uitkijken naar het vervolg, meer bepaald ‘L’Abeille et l’architecte’ (1978) en ‘La Paille et le grain’ (1975). Ze gaan niet enkel over de politiek maar ook over het landelijke Frankrijk waarmee Mitterrand zich altijd verbonden heeft gevoeld.

Salan