Vorige week verkoos een jury van Duitse taalkundigen het woord “Gutmensch” tot “on-woord (“Unwort”) van het jaar 2015″. Het woord wordt vooral gebruikt ter rechterzijde van het politieke spectrum, wanneer men het heeft over naïeve en wereldvreemde mensen die altijd maar krampachtig goed willen doen, zonder de realiteit of de gevolgen van hun daden in te schatten of te willen inschatten. De jury vond dat dit woord in 2015 te veel misbruikt werd om mensen te beschimpen die zich inzetten voor vluchtelingen. En verklaarde het derhalve ongeschikt voor verder gebruik.

De woorden die deze jury al eerder ongewenst verklaarde (“Sozialtourismus”, “freiwillige Ausreise”, “ausländerfrei”, …) verraden dat het over een politiek gezelschap gaat, waarvan de taalkundige opleiding van de weinige leden minder belangrijk is dan hun links engagement. De manipulatie van de taal is altijd een belangrijke element van de linkse oorlogsvoering geweest. In de praktijk bestaat politieke correctheid bijvoorbeeld voor een flink deel uit het opdringen van een partijdige en ideologisch geladen woordenschat. Het kan geen verbazing wekken dat het woord “Gutmensch” zoveel ongenoegen opwekt bij de linkse meisjes en jongens. Want, eigenlijk is het een uitstekend woord, dat kernachtig en op ironische wijze veel zegt over de persoon die wordt beschreven.

Naïef

“Edel sei der Mensch, hilfreich und gut”, hield Goethe het Duitse volk voor. Echt goede mensen verdienen inderdaad onze bewondering. Maar degene die het woord “Gutmensch” uitspreekt, benadrukt onmiddellijk het verschil tussen het voorwerp van zijn spot en een echt “guter Mensch”. In het Engels noemt men de Gutmensch een “do-gooder”. In het Nederlands lijkt “wereldverbeteraar” de beste, maar onvolmaakte vertaling. Het gaat over mensen die graag gezien worden als de verdedigers van het goede en het edelmoedige, maar dan liefst op het niveau van de samenleving of zelfs de ganse wereld. Over jonge Gutmenschen van zijn generatie schreef PJ O’Rourke ooit: “Zich bezorgd tonen is minder werk dan iets doen om de reden van de bezorgdheid weg te nemen. Dit is zeker het geval als we zorgvuldig de grootste problemen uitkiezen. Iedereen wil de planeet redden; niemand wil moeder helpen met de afwas.”

Er is een goedaardige soort van Gutmenschen. In mei vorig jaar haalden Jill, Yasmine en Camille de kranten in Vlaanderen. Op straat waren die drie jonge meisjes de bedelende Benny tegengekomen. Arme Benny had geen huis en geen inkomen. De oproep van de meisjes op Facebook om Benny financieel te steunen werd een groot succes. Dit was een verrassing, nog het meest voor Benny zelf, die plots zijn foto gedeeld zag over het hele internet. De plotse bekendheid verplichtte Benny echter om toe te geven dat hij wel degelijk beschikt over een inkomen (van het OCMW) en ook over een dak boven het hoofd. De meisjes zagen dan maar af van het plan om het ingezamelde geld aan Benny te geven en startten “Project Benny”, waarbij ze een dakloze af een toe zouden verwennen met een etentje in een sjiek restaurant, een beurt bij de kapper of een nachtje op hotel. Ze moesten er wel nog één vinden. Nutteloos, naïef en misschien zelfs contraproductief, maar goed bedoeld.

Maar goedaardigheid is zelden het bepalende kenmerk van de Gutmensch. Ten eerste omdat de ware wereldverbeteraar vooral geïnteresseerd is in een gunstig beeld van zichzelf, en minder in de vraag naar de werkelijke impact van het idee dat hij steunt. Daardoor doet hij vaak meer kwaad dan goed. In een recent artikel op Doorbraak citeert Miel Swillens de filosoof en jezuïet Michael Bordt, wanneer die het heeft over de asielpolitiek van Merkel: “De beklemtoning van het morele brengt mee dat in openbare debatten geen inhoudelijke argumenten meer aan bod komen, en dat men meent alle problemen met ethiek te kunnen oplossen. Het draait alleen nog om moreel goed of moreel slecht. Met al de verontwaardiging, het geschandaliseerd zijn en de veroordelingen die daarbij horen. … Het was helemaal niet meer mogelijk openlijk te wijzen op de problemen die de vluchtelingen met zich meebrengen of kunnen meebrengen.”

Egoïstisch

De Gutmensch kan van zichzelf wel rotsvast het idee hebben dat hij tragedies zoals die met de kleine Aylan kan compenseren en verwerken door illegale immigranten te helpen en te verwelkomen, maar het is precies die “Willkommenskultur” die steeds nieuwe en grotere golven van illegale immigraties op gang brengt en meer kleine Aylans om het leven brengt. Hij kan wel denken dat ontwikkelingshulp de derde wereld helpt, maar die heeft in Afrika al meer kwaad dan goed gedaan. Hij kan wel de ijdele gedachte koesteren dat hij arme mensen helpt door Fair Tradeproducten te kopen, maar in feite houdt zijn koopgedrag mensen vast in onrendabele activiteiten en dus in economische onderontwikkeling. Een onderzoek naar de ware effecten van zijn goedheid is niet iets dat de Gutmench kan boeien. De vraag stellen naar de efficiëntie van de hulp, vindt hij zelfs hoogst ongepast.

Het voornaamste slachtoffer van de Gutmensch is zijn medeburger. In tegenstelling tot de traditionele liefdadigheid, bedrijft hij zijn generositeit immers niet op eigen kosten. Het zijn de anderen die de gevolgen moeten dragen van zijn hoogdravende morele idealen. Het zijn de armen en de ouderen, die de grootstad en zijn getto’s niet kunnen ontvluchten, die de effecten van het multiculturele ideaal ondergaan. Het zijn gewone Duitsters die, als belastingbetaler of als slachtoffer van een misdrijf, opdraaien voor het hoogmoedige “Wit schaffen das” van Merkel. Het zijn aangerande vrouwen die het slachtoffer zijn van de politiek correcte blindheid van de Gutmensch voor een jarenlange escalatie van geïmporteerde vrouwonvriendelijkheid. Wie zich een aureool van breeddenkendheid en een morele status aanmeet op kosten van een ander is geen goed mens, maar een egoïst.

Onverdraagzaam

Dat “Gutmensch” niet het synoniem is  van “goed mens”, blijkt nog het duidelijkst wanneer de politiek geëngageerde wereldverbeteraar wordt geconfronteerd met iemand die zijn politieke mening niet deelt. De Jeckyll van de moraliteit en menselijke bezorgdheid kan zich dan verbazend snel ontpoppen tot een Hyde van haat en onverdraagzaamheid. De diepe afkeer voor de politieke tegenstander is geen toevallig bijverschijnsel van de aard van de linkse Gutmensch. Die is er het logische gevolg van. Voor wie zichzelf heeft wijsgemaakt dat zijn eigen politieke idealen de vertaling zijn van de hoogste ethische bekommernissen, is de conclusie nooit ver weg dat zijn politieke tegenstander dus eigenlijk het kwade vertegenwoordigt: het racisme, het egoïsme, de mateloze hebzucht en de kille harteloosheid. Het is dan niet moeilijk meer om de stap te zetten naar diepe haat voor je tegenstander. En die mag dan ook best zwaar aangepakt worden.

Paul Johnson schreef in zijn boek “Intellectuals” (1988) een weinig fraai portret neer van de persoonlijke levenswandel van denkers als Rousseau, Marx, Sartre, Brecht en consorten. Allen waren het zelfverklaarde liefhebbers van de mensheid en bezielers van grote idealen. En allen waren het verfoeilijke individuen in hun privéleven. Rousseau schreef “Emile”, een idealistisch boek over het opvoeden van kinderen, maar hij legde zijn eigen drie kinderen te vondeling. De rode draad door het boek is de vaststelling dat degenen die zich zagen als de ontwerpers en promotoren van grote idealen voor de mensheid gemakkelijk uit het belang van hun hoge missie het excuus konden putten om zich voor het overige niets aan te trekken van de mensen om hen heen. Zo’n vaart loopt het niet met alle Gutmenschen, laat ons ook niet overdrijven. Maar de consumptie van kant-en-klare liefdadigheid (een gift aan 11.11.11, een anderhalf uur durende mars tegen de uitzetting van de lokale “goed aangepaste”, maar toch uitgewezen asielzoeker, het kopen van enkele pakken Fair Tradekoffie,…) is een handig alternatief voor werkelijke liefdadigheid in de eigen omgeving, die tijdrovend, lastig en vaak onzichtbaar is.

Jürgen Ceder