De vampier van Muizen, Staf van Eyken, staat dezer dagen opnieuw in de aandacht nadat hij tegen alle adviezen van de gevangenis in een dag buiten de muren mocht doorbrengen. Omdat het al even geleden is en we graag wilden weten hoe het juist zat met die zogenaamde vampier, dook Jan Neckers enkele weken geleden voor ‘t Pallieterke in de archieven.

De vampier van Muizen is nu 64 en zit al meer dan vierenveertig jaar in de gevangenis voor drie vreselijke moorden. Maar nog altijd herinnert Vlaanderen zich Staf van Eyken.

Niet langer onnoemelijke feiten

Voor De Mechelse Kerjeuze heb ik nog eens de kranten doorgenomen over de tijd toen een golf van angst het Mechelse overspoelde. Weer viel het verschil op tussen toen en vandaag. Op 18 oktober 1971 wordt in de randgemeente Muizen het dienstmeisje van een Mechelse textielbaron vermoord.

Eerste opvallend feit: in die jaren worden alle namen en adressen nog zonder schroom genoemd en blijkbaar is ramptoerisme nog geen nationale sport. Muizen is op dat ogenblik een zelfstandige gemeente in de provincie Brabant, nog geen fusiegemeente van Mechelen in de provincie Antwerpen. Dus voert de Bewakings- en Opsporingsbrigade (BOB) van het vijftien kilometer verder gelegen Vilvoorde het onderzoek.

Tweede opvallend feit: het slachtoffer is 18 en heeft “een gerechtelijk verleden”. Adolescenten worden eerst meerderjarig op 21 en ouders en familieleden kunnen naar de rechter stappen wegens “weerspannigheid”, “slechte vrienden” of “een slechte omgeving”. Omdat het meisje vriendjes had, stond ze onder toezicht van de jeugdrechter. De Gazet van Mechelen (filiaal van GvA) meldt dat ze al lang geen “verdachte” vrienden meer ontmoette. Datzelfde jaar help ik een vriend die in de Molenstraat in Kontich een bioscoop uitbaat. Eén keer per jaar mag hij een bal organiseren. De politie valt binnen. Minister van Justitie Vranckx (socialist) oordeelt dat de zedelijkheid van de jeugd in gevaar is, zodat organisatoren die meisjes jonger dan 18 op een bal toelaten zwaar beboet worden. We hebben onze voorzorgen genomen, maar het bal is natuurlijk een sof. In die misdaadloze tijden is een moord nieuws, maar alles wordt nog niet tot in het oneindige uitgespit. Een auto-ongeval met drie doden krijgt in de krant evenveel ruimte.

Maar vergeleken met een decade tevoren is er wel iets veranderd. De bekende journalist van Het Nieuwsblad en De Standaard Louis de Lentdecker vertelde me ooit dat hij tot ongeveer 1968 altijd de woorden “onnoemelijke feiten” moest gebruiken bij een seksuele misdaad. In 1971 kan men wel schrijven over een ontkleed lijk dat afgemaakt is met messteken. Over de gruwelijke beten in het meisjeslichaam staat nog geen woord geschreven. Misschien zwijgt het parket, of anders vraagt het gerecht de zeer goed ingelichte journalist Piet Langenus dat gruwelijke detail niet te publiceren. Opvallend: er is nog tijd en personeel om een grondig onderzoek te voeren. Tweehonderd mensen worden ondervraagd. Zonder succes. DNA-onderzoek bestaat nog niet.

Hogere kringen

Af en toe verschijnt een vervolgberichtje dat er geen schot in het onderzoek komt. Maar op 22 december volgt een tweede moord, en deze keer is niet alleen het Mechelse in shock. Het slachtoffer is de 43-jarige vrouw van Frans van Isacker. De man is rechtendocent aan de RUG en op dat moment een zeer bekende literator. Zijn oudere broer is de ook al bekende historicus en jezuïet Karel, en de broers zijn de zonen van een gewezen christendemocratisch minister. Onmiddellijk is het iedereen duidelijk dat dezelfde dader heeft toegeslagen. De moord is wel gepleegd op Mechels grondgebied, maar tweehonderd meter verder begint Muizen. Tussen de plaats delict van de eerste moord en die van de tweede moord bedraagt de afstand minder dan een kilometer. Dat betekent dat de Mechelse speurders dit onderzoek voeren en uit latere krantenberichten blijkt dat de samenwerking tussen de korpsen uit Mechelen en Vilvoorde niet altijd even soepel verloopt.

Weer worden pijnlijke details onthuld, zoals het feit dat Frans van Isacker zelf het ontklede en vermoorde lichaam vond. De kranten zien er geen graten in tijdens de uitvaartmis en op het kerkhof de familie in close-up te fotograferen. Karel van Isacker probeert toch troostende woorden te vinden voor het ontroostbare. Deze keer spant het gerecht een nog wijder net. Mijn latere tv-collega Emiel Goelen fietst soms van Bonheiden via Muizen naar Mechelen; hij wordt op de rooster gelegd. Op zeker ogenblik moeten zelfs alle mannen in het Mechelse die aan het scheiden zijn naar de rijkswacht, om hun tijdsgebruik te controleren. Radio en televisie vinden zich in die tijd nog te goed om uitgebreid over een moord te berichten. In 1979 gebruikt Jos Bouveroux één zinnetje om te melden dat in Sint-Amandsberg vijf mensen vermoord zijn (de zaak-Horion-Feneulle). Maar de kranten zijn niet zo terughoudend en ze wakkeren allerlei geruchten aan, want een paar speurders klappen uit de biecht en doen onvrijwillig een duit in het sensatiezakje. Er zijn zogenaamd indicaties dat de dader zeer goed het tijdsgebruik van het vermoorde meisje kende. Daarenboven zijn in haar hand een paar grijze haren gevonden. De Gazet meldt zelfs dat er een verband kan bestaan tussen de “hogere kringen” waartoe de vrouw van Van Isacker behoorde en de “hogere kringen” waarvoor het meisje werkte. Daar blijkt achteraf allemaal niets van aan, maar op dat ogenblik slaat de paniek in het Mechelse toe, want er loopt blijkbaar een “Jack the Ripper” rond en die krijgt in het roddelcircuit een naam: de textielbaron van wie iedereen de grote winkels in de Bruul kent.

De Pruimelaarstraat

Op zondag 19 maart 1972 volgt een nieuwe schok. Deze keer is in Bonheiden een meisje vermoord. Haar verminkte lijk wordt gevonden door Lode van Dievel, de jeugdige conservator van een vogelreservaat. De ontknoping volgt echter meteen, want ’s avonds meldt de radio kort dat een verdachte gearresteerd is. Het is de 20-jarige Bonheidenaar Staf van Eyken, die schijnbaar ongeïnteresseerd voorbij de inderhaast opgetrommelde speurders fietst. Zijn identiteit wordt genoteerd en diezelfde namiddag vindt men al bewijzen. Bovendien staat zijn naam op een lijst van jongens die de avond tevoren op het feestje waren waar hij zijn laatste slachtoffer ontmoette. Even later bekent hij een vierde moord. Echter, hij weet niet dat zijn slachtoffer het overleefd heeft.

De pers spit verder en ontdekt dat mevrouw Van Isacker een eerste aanranding met moeite overleefde, maar te verzwakt was om hulp te zoeken; de dader keerde een paar uur later naar die plaats terug en vermoordde haar. Het bekende zwartepietenspel wordt gespeeld, want Van Eyken heeft een behoorlijk dossier en de onderzoeksrechter beschuldigt Bonheiden dat ze hem niet op de hoogte brachten. In 1974 wordt Van Eyken tot de doodstraf veroordeeld, maar zelfs dan worden niet alle gruwelijke details bekendgemaakt omdat het gerecht de familieleden wil beschermen. Van Eyken mag later zijn versie geven in het boek “Ik heb een mens vermoord” van Machteld Libert, wat leidt tot een klacht van de familie van het vermoorde meisje omdat Libert wat naïef sommige beweringen van de dader neerschrijft. Wel vermeldt ze dat de bewaker van Van Eyken zijn aantal aanrandingen op… tachtig schat.

Lode van Dievel, die het derde slachtoffer vindt, is de oom van VRT-journalist Louis, die over de gebeurtenissen een roman schrijft. In zijn “De Pruimelaarstraat” (een Bonheidense Kapellekensbaan) geeft hij echter belangrijke details die nergens anders te vinden zijn. Mijn nicht woont al jaren in de doodlopende straat waar Van Eyken indertijd werd opgepakt. Bij iedere media-opstoot verschijnt daar onbekend volk. De dader geniet eenentwintig jaar lang van penitentiair verlof, maar in 2006 schaft justitieminister Onkelinx zijn zes dagen af. Voor zover we weten, heeft hij sindsdien geen voet meer buiten de gevangenis gezet. Tot nu.

Jan Neckers