Vorige week schreef ik een stukje over onze verzorger Fernand Beeckman. Ik zou Jef de conciërge en zijn eega Maria groot onrecht aandoen, mocht ik niet een paar woorden aan hen wijden, want zij maakten gedurende dertig jaar deel uit van de Anderlechtfamilie.

In alle clubs lopen mensen rond die in de schaduw een meerwaarde betekenen voor hun ploeg en die beter weten wat er reilt en zeilt in de spelersgroep dan de trainer en het bestuur samen. Zij waren zo een duo! Zij woonden in een schamel appartementje in de oude zittribune. Zij was de koningin van het waskot, hij heerste in het materiaalhok. Maria was een imposante rondborstige dame, Jef kon men onder een deur doorschuiven. Van een contrast gesproken. Maria was als een tweede moeder voor de spelers. Je kon steeds bij haar terecht voor de was en de plas als je thuis bonje had. Bij Jef kon je aankloppen als je auto een wasbeurt kon gebruiken, met een kleine vergoeding als tegenprestatie, uiteraard.

Na een thuiswedstrijd gingen de spelers nooit naar de receptie vooraleer ze bij Jef en Maria waren binnengesprongen om een whisky’tje te drinken, dat kreeg men daar een beetje verder toch niet.

Slaan en zalven

Maria was niet mals in haar commentaren als zij vond dat je tijdens de match had staan klooien. Ook onze vrouwen spraken veel met haar, en als ze had vernomen dat we weer iets hadden uitgespookt dat volgens haar niet door de beugel kon, dan keek ze ons streng aan en was een sermoen niet veraf. Jef stond dan gewoonlijk achter haar rug te gesticuleren dat we ons niets moesten aantrekken van wat ze zei. Eén keer had ze het gezien en voor hij het doelwit werd, vluchtte hij wijselijk naar zijn hok.

Dat hok had verschillende doeleinden. Johnny Dusbaba gebruikte het bijvoorbeeld als stapelplaats voor zijn brol die hij uit Den Haag meebracht en die hij later aan supporters wilde verpatsen. Er was van alles te koop, van televisies, video’s, wangedrochten van postuurtjes tot zonnebanken en zelfs lingerie. Ik verdenk Jef ervan dat hij zijn percentje meepikte!

Het materiaalhok werd ook gebruikt als rookruimte tussen twee trainingen. Als Martin Lippens, onze hulptrainer, onverwacht binnenkwam, dan duwde iedereen zijn sigaret snel in de handen van onze conciërge, die daar soms met vier stinkstokken tussen zijn vingers stond. Martin knipoogde naar ons en vroeg aan Jef of hij kettingroker was geworden. Die antwoordde dan met een uitgestreken gezicht: “Ja, het is erg, ik weet het!” Zodra Lippens het lokaal had verlaten, voegde Jef er triomfantelijk aan toe: “Hij heeft het nog altijd niet door!”

Ja, op onze Jef konden we rekenen…

Gille van Binst