Het vrouwtje droeg een grote tas, en ze zette die naast zich neer op de bank. Ze opende hem en ik zag dat hij boordevol gevuld was met blaadjes van diverse formaten. Ze zag dat ik keek en vlug sloot ze de tas. Er waaierde nog net één blaadje uit. Ik kon het bliksemsnel in de vlucht grijpen.

“Al een geluk dat het geen briefjes van vijftig euro zijn”, lachte ik.

“Allemaal reclame, meneer. Niets anders dan reclame. Toen ik het huis verliet, stak mijn brievenbus al voor de vierde keer deze week vol. Ik stopte ze allemaal in deze tas en ging op weg om ze te laten verdwijnen.”

“Jij bent toch niet van plan ze zomaar op straat te gooien”, zei ik, met een vermanende blik in de ogen.

“Ben je gek. Ik ben een proper madammeke. Ik ben één van de weinigen in mijn straat die het vuil op het trottoir wegveegt. In de wintermaanden doe ik dat ook als er sneeuw ligt.”

Ik klapte zachtjes in mijn handen en zei: “Dat is iets wat wij ook doen, het trottoir netjes houden. Tegenwoordig moet het meer gebeuren dan vroeger. We kregen er voor ons werk onlangs een opmerking over.”

“Een goedkeurend schouderklopje?”, veronderstelde ze.

Ik schoot in de lach. “Was dat maar waar. Het was onze Turkse buur. Terwijl ik bezig was het beetje sneeuw weg te vegen, zei hij: Dat moet jij niet doen, dat is werk voor de stadsdiensten.”

“Die man is helemaal geïntegreerd”, spotte ze.

“Dat is hij, mevrouw. Een poos geleden kwam zijn moeder met een vuilblik, vol met stofvlokken uit de stofzuiger, naar buiten, om ze weg te gooien.”

“Zomaar op de straat?”, vroeg ze.

“Jij hebt slechte gedachten. Zij kieperde ze netjes in het rioolputje…”

“Kijk, meneer, als die mensen hier nog maar pas zijn, moeten ze de tijd krijgen om de gewoonten van hun nieuwe land te leren. En wij moeten hen daarbij behulpzaam zijn. Als ze ons verstaan natuurlijk. De taal is immers heel belangrijk.”

“Inderdaad, en zij zijn nog maar van de tweede generatie hier verblijvend.”

We schoten allebei in de lach.

“En dat?”, wees ik naar de reclameblaadjes in de tas.

“Die ga ik nog even inkijken en daarna gaan ze naar…” Ze wees naar de grote papierbak op het terras.

Even later zat ze met een serieus pak reclameblaadjes op haar schoot. Terwijl ze bladerde, vroeg ze: “Mogen ze dat wel allemaal in een mens zijn brievenbus steken?”

“Ik weet het niet, mevrouw.”

Wij hebben in het districtsthuis een sticker gehaald met erop de tekst:

‘GEEN ongeadresseerd RECLAMEDRUKWERK. Wel informatieblaadjes’. Maar geen kat trekt zich daar iets van aan.”

“Of ze kunnen het niet lezen. Dat is altijd een goede verontschuldiging”, lachte ik.

“De reclameblaadjes voor pizza’s steken in aantal de kroon. Kijk, hier zijn er al zes van verschillende adressen.”

“Je hebt gelijk dat we met reclame worden overspoeld”, zei ik. “En niet alleen in onze brievenbus. Ik geef je een voorbeeld. Eén keer hebben wij, maanden geleden, via een reclamebrief een doos wijn per post besteld bij een wijnhuis in het Brusselse. De wijn werd gratis aan huis geleverd en was van goede kwaliteit. Sindsdien krijgen wij per post en telefonisch reclame van die firma. Het houdt niet op, spijts het feit dat we nooit meer iets bestelden. Geen probleem. Wij hebben gelukkig een uitstekende papierversnipperaar die regelmatig werkt. Ik vraag mij af of die firma uiteindelijk aan onze enige bestelling wel één euro heeft overgehouden.”

“Op tv komt ook heel wat reclame binnen”, was de dame weer aan de beurt. “De reclameboodschappen zijn de momenten dat we naar het toilet gaan, of een drankje inschenken.”

“Op mijn laptop stroomt ook veel reclame binnen”, gromde ik.

Zij pakte de tas op en liep naar de papierbak. Daar scheurde ze de blaadjes één na één in stukken vooraleer ze erin te gooien. Een manier van afreageren?

TdW