Dinsdagmorgen 22 maart 2016, het lijkt een mooie dag te zullen worden. Voor mij begint een weekje vakantie, dus de wekker loopt vroeg af, want we moeten in Zaventem op tijd onze vlucht halen. Het verkeer naar de hoofdstad is zoals bekend nogal wispelturig, waardoor we wat speling hebben ingebouwd. Zo rond 8 uur zouden we er moeten zijn.

2016-12_05_De hel van Zaventem (Medium)Het parkeren gebeurt op een parking voor lange duur in Vilvoorde, waarna een pendelbusje ons naar de luchthaven brengt. Er sluipt een beetje vertraging in. Om zowat 8.15 uur stappen we uit op het busperron, op pakweg vijftig meter van de inkomdeuren naar de liften, die naar de grote vertrekhal voeren.

We haasten ons met de bagage naar de inkomdeur, en dan gebeurt het. Een doffe klap doet het gebouw op zijn grondvesten trillen. Uit de traphal komt meteen een grijze wolk tevoorschijn. Stof en gruis. Rondom mij zie ik enkele mensen twijfelen, maar ik weet het meteen. ‘Terreuraanval’, zeg ik. ‘Wegwezen hier!’

Met onze bagage lopen we weg van het gebouw, een open plein over. Daar gaan we vlug schuilen achter de hoek van een ander gebouw. De adrenaline stroomt, en mijn volgende gedachte is: is het afgelopen, of komt er nog iets? Moslims met machinegeweren? Rustig in het zicht van iedereen blijven staan, is dan geen goed plan. Ik vind een betonnen trap naar een kelder, met een stalen deur die van binnenuit kan gesloten worden, en een ijzeren staaf die desnoods als wapen kan gebruikt worden; dat lijkt me een goede plek om het verdere verloop van de gebeurtenissen af te wachten.

Nu kijk ik voor het eerst naar de buitenkant van de vertrekhal. Ik zie dat daarboven een grijze pluim van stof opstijgt, en ik zie dat alle ramen zijn weggeblazen.

Angst en ontreddering

Veel mensen beginnen nu, na ons, het inkomgebouw te verlaten en komen in onze richting. De angst en de ontreddering staan op hun gezicht te lezen. Sommigen huilen, anderen zijn duidelijk in shock. Omdat intussen gewapende politieagenten zijn opgedoken, lijkt de situatie veilig genoeg om te doen wat we kunnen.

Een vijftal Amerikanen staart lijkbleek voor zich uit. Ze willen weinig kwijt over wat ze gezien hebben, maar ze beschrijven het als ‘a war zone’ – een oorlogszone. Ze hadden bezoeken gebracht aan Amsterdam en Brugge en wilden nu terug naar de VS… Via mijn gsm verwittigen ze hun verwanten in de Verenigde Staten dat ze veilig zijn. Al is het daar drie uur in de ochtend en worden mensen wakker gebeld, men hoort de opluchting aan de andere kant van de oceaan.

Mijn vriendin, die verpleegster is, knoopt gesprekken aan met mensen die zichtbaar geschokt zijn, om te vermijden dat ze echt in shock gaan. Eén ervan is een jonge Franstalige dertiger, in het gezelschap van zijn vrouw en drie kleine kinderen. Hij rilt. Ik merk dat hij geen jas meer aan heeft, en dat zijn hand bebloed is. ‘Bent u gekwetst’, vraagt mijn vriendin, en ze haalt al een pleister tevoorschijn. ‘Nee’, antwoordt de man zacht, ‘dat is niet mijn bloed. Ik heb een gewonde airhostess proberen te helpen. Ik heb haar ook afgedekt met mijn jas.’ Ik bied hem een jas uit mijn eigen bagage aan, maar hij weigert beleefd. ‘Dank u’, zegt hij bevend. ‘Ik denk dat we maar eens naar huis gaan.’ Hij tilt een kind op de arm, en het geschokte gezin wandelt weg, in de richting van de parkeergarages waar hun wagen geparkeerd staat. Later zal ik me herinneren dat hij degene was die me zei dat hij afgerukte ledematen zag liggen.

We merken dat de mensen die op het ogenblik van de explosie in de inkomhal waren makkelijk te herkennen zijn: hun kleren en hun bagage zijn bedekt met grijs stof. Op een betonblok naast me zitten twee zwarten stil voor zich uit te staren. Het stof hangt op hun bagage, hun kleding en in hun haar. ‘U was daarbinnen?’, vraag ik overbodig. ‘Inderdaad’, bevestigt de eerste. ‘We wilden terugvliegen naar Kinshasa. Het is een mirakel dat we nog leven. Op het ogenblik van de explosie liepen we langs een klein muurtje. Dat stortte bovenop ons in elkaar, maar ving wel de zwaarste klap op. Rondom ons zagen we mensen werkelijk omvergeblazen worden.’ De tweede knikt bevestigend, en wijst naar zijn schoenen. Ik zie gelakte leren schoenen, vol gestold bloed. ‘Dat is niet mijn bloed’, zegt hij. ‘Dat is het bloed van de mensen rondom ons waardoor we naar buiten moesten stappen.’

Complete chaos

Op het plein naast het gebouw waarachter we wilden schuilen, staan intussen minstens vijfhonderd mensen verzameld. Ambulances, brandweervoertuigen, politiewagens en wagens van de luchthaven zelf rijden af en aan. Iedereen doet wat hij kan, maar de chaos is compleet. Niemand weet wat er van hem verwacht wordt, en niemand heeft informatie. Maar er is geen paniek, eerder een doffe gelatenheid, en veel onderlinge steun via gesprekken, omarmingen, het verzorgen van kleine verwondingen.

Dan duiken zwaarbewapende militairen op, die rond het gebouw een perimeter aan het afbakenen zijn. Er wordt iedereen gevraagd weg te gaan. We besluiten dan maar de lange tocht richting Vilvoorde te voet aan te vatten. Als door een wonder stopt naast ons een auto met een werknemer van de luchthaven, die ons vriendelijk vraagt of hij ons een lift kan geven. Dat aanvaarden we dankbaar, en samen rijden we richting de plek waar onze auto staat. ‘Ik werk in het luchthavengebouw’, zegt hij. ‘Ik heb mijn kantoor twee verdiepingen boven de vertrekhal. Meteen na de klap ben ik naar beneden gerend, en heb ik in de inkomhal gedaan wat ik kon. Wat ik daar heb aangetroffen, is onbeschrijflijk.’ Het blijft even stil. ‘U hebt gedaan wat u kon’, zeg ik. Hij knikt.

Zwijgend rijden we tot aan onze wagen, en nadat we hem uitgebreid bedankt hebben, gaat het terug naar huis. Een nieuwe vlucht boeken, de vlucht omboeken, hotels annuleren? Ik heb er allemaal geen zin in. Ik wandel met mijn vriendin de tuin in en geniet even stil van de zon op het gras en de verse bloemen. We hebben geluk gehad, veel geluk. En we zijn nu in oorlog. Wie daaraan nog twijfelt, of dat taalgebruik ‘overdreven’ vindt, die was er vandaag niet bij, daar in Zaventem.

HDG