Nadat Rusland de Krim geruisloos annexeerde, gingen op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel de alarmbellen af. Nochtans hebben academici en beleidsmakers elkaar jarenlang wijsgemaakt dat zulke conflicten tot het verleden behoorden. Er was namelijk samenwerking en economische afhankelijkheid, waardoor een gewapend conflict zou uitdraaien in het nadeel van iedereen. Althans, dat was de theorie.

Een verhaal dat beleidsmakers zichzelf te vaak vertelden, was dat de Koude Oorlog voorbij was en dat de strijdkrachten zich moesten aanpassen aan de zogenaamde ‘non state actors’. Als gevolg van die overtuiging werd heel wat wapentuig uit de Koude Oorlog overbodig geacht. Dat materieel werd verkocht aan bevriende landen of werd verhandeld. Vooral na de aanslagen van elf september werd er massaal ingezet op lichter wapentuig. Goed genoeg voor verkenning, transport of ordehandhaving in gebieden met milities of terroristen, maar te licht voor een serieus militair conflict met een vijandige staat.

Maar de tijden zijn veranderd. Het Westen wordt geconfronteerd met een Rusland dat niet bang is om bruut militair geweld te gebruiken om de kaart van Oost-Europa te hertekenen. In Oekraïne kwam het Russische leger tot klassieke gevechten met de Oekraïners. De Russische eenheden, sorry, “de gewapende arbeiders en boeren” volgens Poetin, vochten met zware artillerie en gevechtstanks. Oekraïne had niet genoeg modern en zwaar wapentuig, en werd bijgevolg bij Llovaisk en Debaltsevo in de pan gehakt.

Europa niet voorbereid

Het Westen is bang voor verdere Russische agressie, maar is zich niet bewust dat dit maar een voorproefje is. Zoals we al eerder hadden geschreven, is Rusland volop bezig met een militair hervormingsplan dat de capaciteiten drastisch moet vergroten. Dus de kans op meer agressie en een botsing zal enkel maar toenemen. Over dat grootschalige hervormingsplan is wel goed nieuws te melden, in die zin dat dit jaar voor 5 procent zal worden bespaard op nieuwe militaire aankopen. De sancties en de lage olieprijzen bijten te fel in de Russische begroting. Het Westen heeft hiermee wat tijd gekocht. Tijdens de top van Wales beloofden alle NAVO-landen om 2 procent van het bbp te spenderen aan defensie. Voor België is dat momenteel 0,8 procent. De komende jaren wil Steven Vandeput naar 1,7 procent gaan; nog steeds onder de NAVO-norm.

Een andere troefkaart die het Westen nog heeft, is Oekraïne. Tijdens de Sovjet-Unie was Oekraïne het kroonjuweel van de wapenindustrie. Het Russische leger was tot voor het conflict van heel wat onderdelen van die wapenindustrie afhankelijk, zoals voor motoren van helikopters of voor turbines van schepen. Door de oorlog is Rusland afgesneden van deze industrie en moet bijgevolg zelf onderdelen gaan produceren. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Veel kennis en ervaring die men had om dit te kunnen doen, is verloren gegaan.

De West-Europese landen lijken zich te verkijken op de situatie. Zij geloven dat de problemen met Rusland tijdelijk zijn en ze hopen op een compromis met Poetin. Oost-Europa en vooral de Verenigde Staten hebben meer realiteitszin. In de begroting van 2017 heeft Obama 3,04 miljard euro gereserveerd voor de verdediging van Europa. Het geld wordt vooral besteed aan de overplaatsing van materiaal, het verbeteren van de infrastructuur, het organiseren van trainingen en de plaatsing van zwaar materiaal in Bulgarije, Roemenië en Litouwen.

De Amerikaanse inspanningen kunnen niet het probleem verbergen dat de Europese bondgenoten te weinig middelen investeren in defensie. Dat werd al beweerd door Robert Gates in 2009. Positief is wel dat ‘dankzij’ het terreurprobleem, de jaarlijkse bezuinigingen op defensie zijn gestopt, zowel in België, Frankrijk, Duitsland als Nederland. Maar of dit een eindpunt is, dan wel een keerpunt, valt op dit moment nog niet te zeggen.

JM