Er was een vaderland, echt enig in zijn soort,
dat hevig hield van al zijn dappere telgen.
Dat was het dierbaar vaderland der belgen,
van wie een deel – uit pure liefde! – zijn vermoord
met twaalf geweren, aan de paal zoals het hoort.
Nu stond er in dat enig land der belgen
een keer een trotse toren met een vredeswoord,
dichtbij de Noordzee in een rustig vredesoord.

Wat deed dat vaderland, zo enig in zijn soort?
Wie gaat er, zei het, nu een toren zetten
die ’t uitzicht op de Noordzee kan beletten?
Het is, zei ’t vaderland, toch waarlijk ongehoord
dat zulke toren ’t uitzicht op de zee verstoort!
En ’t vaderland, het maakte korte metten:
de toren werd deskundig in de grond geboord.
Geef toe: zo’n vaderland, ’t is enig in zijn soort.

En ’t brave Vlaamse volk, òòk enig in zijn soort,
het liet zich door de knallen amper storen.
Het sleepte stenen naar een nieuwe toren
en leefde kalm en braafjes binnen belgië voort.
Het liet zich leiden aan de tricolore koord
en liet daarbij een mak gemekker horen,
geduldig en gedogend lijk ’t voor schapen hoort.
Geef toe, de Vlaamse kudde, enig in haar soort.

Prince

Kan ooit ’t gemoed des Vlamings, enig in zijn soort,
door om het even wat vertroebeld raken?
Welnee, hij blijft van belgicisme blaken,
al had het vaderland zijn halve stam vermoord.
Slechts even wordt de Vlaming in zijn rust gestoord,
maar niets bedreigt het parlement en Laken:
de kruitdamp opgetrokken en het recht gesmoord,
dan slaapt het Vlaamse schaap in belgiës schaapstal voort…

Hector van Oevelen