Proximus wil werknemers al op hun 60ste met vervroegd pensioen sturen. Sommigen zelfs al op 58 jaar, terwijl de wettelijke vervroegde pensioenleeftijd 62 jaar is. Een slecht signaal, aangezien iedereen weet dat we met z’n allen langer zullen moeten werken. Maar, veel bedrijven trekken het zich niet aan: ze danken ‘oudere’ werknemers af en sturen de factuur door naar de belastingbetaler.

Een 200-tal medewerkers van telecombedrijf Proximus (de nieuwe officiële naam van Belgacom) is niet mee met de modernste technologie en krijgen de kans om te vertrekken uit het bedrijf. Ze krijgen “verlof voorafgaand aan het pensioen” vanaf 60 jaar. Proximus betaalt 75 procent van hun loon verder uit en betaalt sociale bijdragen op 100 procent, zodat de betrokkenen uiteindelijk van een volledig wettig pensioen zullen kunnen genieten. Sommige werknemers zouden zelfs al op hun 58ste kunnen vertrekken. De N-VA is over die maatregel niet te spreken. Terecht.

De federale regering heeft allerlei maatregelen genomen om mensen ertoe aan te zetten langer te werken. Dat is de enige manier om op termijn de oplopende vergrijzingskosten (pensioenen en gezondheidszorg) te kunnen blijven betalen. De minimumleeftijd voor vervroegd pensioen werd opgetrokken tot 62 jaar en stijgt tegen 2019 naar 63 jaar. De brugpensioenleeftijd (nu heet dat officieel stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of SWT) bedraagt 62 jaar, al zijn er uitzonderingen van 60 jaar, 58 jaar en zelfs voor wie 56 jaar is (bijvoorbeeld bij een herstructurering van een bedrijf). Wel moet wie met brugpensioen is onder de 60 jaar in principe beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt.

De keuze van Proximus gaat in tegen het beleid van de regering. En dat voor een bedrijf dat voor de meerderheid in overheidshanden is. Dominique Leroy, topvrouw van Proximus, beweert dat het bedrijf de kosten van het vervroegd pensioen volledig op zich neemt. Een vreemde redenering, want als staatsbedrijf worden de kosten sowieso naar de belastingbetaler doorgeschoven. De houding van Proximus is geen alleenstaand feit. Ook de bank BNP Paribas Fortis wil werknemers vervroegd vrijwillig doen vertrekken. Op 55 jaar zelfs. Het is geen officieel brugpensioen, maar daar komt het feitelijk wel op neer.

Werkgevers en werkgeversorganisaties zeggen al jaren dat ze voorstanders zijn van langere loopbanen. VBO en Unizo vinden het, naar eigen zeggen, onaanvaardbaar dat de gemiddelde uittredingsleeftijd in werkelijkheid 59,3 jaar is. Dat is één van de laagste cijfers in de Europese Unie. Tegelijk verzetten ze zich officieel tegen stelsels van vervroegde uittreding zoals het brugpensioen. Maar ze blijven er wel kwistig gebruik van maken. Hun aantal is al jaren aan het dalen, maar het aantal bruggepensioneerden bedraagt nog altijd bijna 100.000. Daarvan moeten er zich slechts 6.000 nog beschikbaar houden voor de arbeidsmarkt.

De meesten zijn bijgevolg definitief verloren voor die jobmarkt. Voor bedrijven is het brugpensioen nog altijd een interessante regeling om mensen af te danken. Die komen eigenlijk in de werkloosheid terecht – ze worden dus betaald door de staat – en krijgen een vergoeding van de werkgever (de zogenaamde bedrijfstoeslag). Bedrijven die jarenlang hebben nagelaten hun werknemers op te leiden, zodat ze ook na hun 55ste aan de slag zouden kunnen blijven, worden niet gesanctioneerd. De factuur is voor de belastingbetaler. Het brugpensioen kost aan de belastingbetaler jaarlijks nog altijd 1,4 miljard euro. Op dat vlak zijn werkgeversorganisaties zoals de vakbonden. Problemen worden doorgeschoven en de factuur moet betaald worden door de regering en Jan Modaal.

Bedrijven hebben natuurlijk wel een punt als ze zeggen dat zogezegd ‘oudere werknemers’ te duur zijn door de anciënniteitsverloning: wie meer ervaring heeft, en dus ouder is, wordt meer betaald, ook al neemt de productiviteit van de werknemer niet meer toe. Werkgevers willen die anciënniteitsregeling afschaffen en werknemers meer belonen naar resultaat. Maar daar botsen ze op een njet van de vakbonden.

Angélique Vanderstraeten