België: een investeringsramp

Tussen 2010 en 2013 bedroegen de overheidsinvesteringen in België 9 miljard euro of amper 2,4 procent van het bbp. In de Europese Unie doet enkel Duitsland slechter. Vooral de infrastructuurwerken hinken achterop. De gevolgen zijn merkbaar. En dan gaat het niet alleen om de lamentabele toestand van de Brusselse tunnels. Ook het Vlaamse en het Waalse wegennet liggen er slecht bij. Een probleem voor die regio’s die zichzelf als logistieke draaischijf van Europa zien.

België is een investeringsramp. Dat is het enige besluit dat we kunnen trekken uit de studie die het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) net gepubliceerd heeft over de overheidsinvesteringen in België. Overheidsinvesteringen zijn één van de motoren van de economie. Ze zorgen voor banen (vooral in de bouwsector) en een verbetering van de publieke infrastructuur waardoor een land of regio interessant wordt voor buitenlandse investeerders of voor logistieke activiteiten. Overheidsinvesteringen zorgen dus voor groei.

Al dertig jaar achteruitgang

Maar wat zien we in België? Het aantal overheidsinvesteringen vertoont al dertig jaar een neerwaartse trend. Met als meest schrijnende voorbeeld de lamentabele toestand van de Brusselse tunnels. In Vlaanderen is minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) volop bezig met het opkalefateren van de wegeninfrastructuur en het wegwerken van de ‘missing links’. Maar er is blijkbaar nog heel wat werk op de plank. Ook de Vlaamse investeringen blijven ondermaats.

De cijfers van het VBO laten weinig ruimte voor discussie. De overheidsinvesteringen in België bedroegen tussen 2010 en 2013 zo’n 2,4 procent van het bbp of 9 miljard euro. Enkel de Duitse overheden investeerden in verhouding minder: 2,3 procent van het bbp.

Het VBO splitste die 9 miljard op jaarbasis uit. En wat zien we? 27 procent van het geld ging naar infrastructuurwerken, 14 procent naar scholen en ziekenhuizen, 42 procent naar overheidsdiensten en 17 procent naar woningbouw (vooral sociale woningen). Het gewicht van de overheidsdiensten in deze mix is een stuk hoger dan het Europese gemiddelde. Nemen we de infrastructuurwerken dan bedragen die slechts 0,6 procent van het bbp of 2,2 miljard euro. Dat is het laagste cijfer van heel Europa.

Gevolg is dat België wegzakt op de rangschikking die het World Economic Forum (WEF) elk jaar publiceert over de kwaliteit van de infrastructuur. België staat daar op een 22ste plaats, dat is 10 plaatsen lager dan tien jaar geleden. De luchthaveninfrastructuur is hier beter dan in de buurlanden. Maar het wegennet en de spoorinfrastructuur zijn ondermaats. Tussen 2002 en 2012 is de capaciteit van het weggennet met 1,9 procent toegenomen, maar het aantal wagens is met 14 procent gestegen. Hier ligt één van de belangrijkste oorzaken van de vele files. Dit zou de economie jaarlijks 8 miljard euro of 2 procent van het bbp kosten.

Ook de cijfers van het spoornet zijn wraakroepend. Ondanks de miljardensubsidies die naar de NMBS vloeien, is de spoorinfrastructuur niet om over naar huis te spreken.

Meer dan enkel besparingen aan de basis

Dat België een investeringsramp geworden is, is het resultaat van een lang proces. Begin jaren tachtig was de Belgische wegeninfrastructuur een Europees voorbeeld. Hoe is de situatie zo kunnen verslechteren? Er is natuurlijk de sanering van de overheidsfinanciën die maken dat de opeenvolgende regeringen meer en meer moesten besparen en dus geen geld meer staken in investeringen. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Tenslotte werden die budgettaire operaties vooral doorgevoerd door belastingen te verhogen. Het is pas onder deze federale regering dat het tij is gekeerd en de fiscale druk daalt.

Het probleem van de voorbije jaren is dat er te veel overheidsmiddelen naar sociale uitgaven zijn gevloeid en meer bepaald naar mensen die het niet nodig hebben. Volgens het IMF worden de sociale uitgaven in België zeer inefficiënt aangewend. Daarin besparen zou geld vrijmaken voor de broodnodige infrastructuurwerken.

Een ander probleem is dat overheidsinvesteringen zeer moeilijk blijven door de vele procedures. Maar vooral: de nieuwe Europese boekhoudregels maken dat grote investeringsprojecten onmiddellijk in de budgetten moeten worden opgenomen. Dat is een zware last, vooral voor gemeenten die de belangrijkste publieke investeerders zijn. Vanuit politiek hoek – onder andere de Vlaamse regering – is er al gelobbyd bij de Europese instellingen om die regels aan te passen. Zonder resultaat.

Angélique Vanderstraeten