Zonder blad voor de mond

Mevrouw de lefhebster,

Wij lazen met grote belangstelling in de serieuze gazet De Tijd dat gij een lans breekt voor de waardering van de mondigheid van leden van het ambtenarenkorps. Dat is zonder meer gedurfd van u, voorlopig nog diensthoofd zijnde bij de Vlaamse overheid. Voorlopig nog, want over afzienbare tijd gaat gij met een voormalige collega uit de ambtenarij een eigen bedrijf opzetten dat organisaties en overheden wil bevrijden van ‘dinosaurussen’, vastgeroeste methodes en structuren. Dat zal geen sinecure zijn, want uw pad zal vol hindernissen en al dan niet verdoken tegenstand liggen.

Gij waart vorige week gecharmeerd door een passage in het jaarverslag van de Vlaamse ombudsman, waarin deze aanklaagt dat ambtenaren ‘niet altijd met de media mogen praten, zelfs als ze over de gepaste expertise beschikken’. “Ontmoedig de mensen met een mening niet”, vraagt de ombudsman klaar en duidelijk. Het deed u denken aan uw boek ‘Tot uw dienst’ dat gij in 2014 publiceerde, samen met twee andere leidinggevende ambtenaren, waarin jullie een nieuwe en verfrissende kijk op de overheid en het functioneren van haar apparaat – en dus de mensen daarachter – naar voor bracht. Structuren en methodes die niet werkten, en al dan niet bewuste corruptie, namen jullie toen onversaagd in het vizier.

In uw opiniestuk in De Tijd verhaalt gij hoe gij uw boek destijds bij de voorbereiding ervan al eens liet nalezen door politici, op kabinetten en door topambtenaren, en hoe steevast beleefd werd gesuggereerd om wat milder, wat minder expliciet en minder scherp te zijn. Want gij zoudt op lange tenen gaan staan en bepaalde ego’s zouden zich geviseerd voelen. Gij waart in die dagen met wat gij zelf noemt ‘tien kleine negertjes’ die hun nek probeerden uit te steken. Sommigen werden echter geïntimideerd in individuele gesprekken of nadien gelimogeerd en anderen werden ‘bij het huisvuil’ gezet. Er waren er ook bij die opdrachten kregen waarmee ze zich met voorbedachten rade van hun chefs in de prak zouden rijden om dan het deksel op de neus te krijgen. Gijzelf hebt niet opgegeven, en nu, nog voor uw vertrek bij de overheid, zegt gij het allemaal nog eens goed. Dat is moedig en verdient alle waardering. Gelukkig zijn er nog mensen met lef.

En jawel, er zijn heel wat ambtenaren die hun job goed willen doen en het mandaat dat zij hebben gekregen of verworven, willen benutten om de overheid ‘op de snelweg naar de klant, de burger’ te zetten en ‘de burger te bevrijden van Kafka’. Velen van hen beginnen er met goede moed aan en gebruiken functioneringsgesprekken en evaluatiegesprekken om hun constructieve visie kenbaar te maken. Tot zij een bedreiging beginnen te vormen voor “gesettelde” hogere ambtenaren die zich comfortabel voelen op hun stoel in hun intiem kantoor en die het liefst alles bij het oude willen laten, zonder veel gezever en voluntaristisch gedoe van ondergeschikte stielbedervers of carrièrejagers.

Gij getuigt dat gij, toen gij oog in oog kwaamt te staan met echte machtsstructuren die niet blij waren met uw demarches, mentaal en fysiek door een zware periode zijt gegaan omdat de druk ‘om onder de radar te gaan’ enorm groot was en gij collega’s zaagt wegkwijnen in een ‘burn-out’.

De ambtenarij… Het is een speciaal soort werknemers, dat vaak erg clichématig wordt voorgesteld als urenkloppers en profiteurs die maar één perspectief voor ogen hebben: snel en goed betaald met pensioen kunnen gaan. Niet geheel onterecht, want tal van ambtenaren voeren gewoon uit wat hen wordt gezegd en opgedragen, goed wetende dat hun creatieve inbreng toch niet wordt gewaardeerd. Zij zoeken dan maar een plaats in de pikorde en zorgen ervoor dat zij zich klokslag het voorziene tijdstip naar huis kunnen spoeden. Het systeem werkt dat in de hand.

Uw vertrek uit de ambtenarij, Elke, is dan ook een groot verlies. Want daar gaat – zij het met opgeheven hoofd – het zoveelste ‘kleine negertje’. We durven hopen dat uw boodschap niet voor niets is geweest en dat gij vanuit uw nieuwe job alsnog kunt ‘inbreken’ in het overheidsapparaat. We vernamen inmiddels dat minister van Binnenlands Bestuur Liesbeth Homans (N-VA) de oproep van de Vlaamse ombudsman ondersteunt. Dat is alvast goed nieuws. Als dat het resultaat is van uw gedurfde initiatieven de jongste jaren, dan hebt gij alvast een steen verlegd in de rivier. Wie volgt? Of beter: wie durft volgen?

‘t Pallieterke