“De fierste en eenzaamste heeft een cenakel en verlangt naar een publiek. Hij is echter bescheiden en spreekt van geestverwanten.“ R.F. Lissens

Met zulke twee mooie voornamen, en dan vooral de tweede, kon het niet anders of deze persoon zou wel een bijzondere bekende persoonlijkheid worden. Hij werd geboren te Leuven op 27 maart 1912 en overleed in Herentals op 13 april 2016. Hij was dus op de dag van zijn dood al één jaar ouder dan de Duitse schrijver Ernst Jünger en zes jaren ouder dan Stijn Streuvels die toch de gezegende leeftijd van 98 jaar kon bereiken. Ik heb deze erudiete professor nooit ontmoet en toch ga ik naar zijn plechtige uitvaartdienst op woensdag 20 april e.k. in de Begijnhofkerk in Herentals in onze Kempen. Waarom eigenlijk? Ik zal het u zeggen: niet om daar nadien andere letterkundigen te ontmoeten en met hen een koffie te drinken of een versnapering te nuttigen, of om mijn visitekaartje achter te laten, maar uit respect en bewondering, want al heel lang heb ik een boekje van zijn hand dat mij al heel vroeg de ogen en de oren heeft geopend. Het is het boekje Poëtisch Handspiegeltje (Brussel-Amsterdam, Elsevier, 1956) dat werd uitgegeven voor de leden van de Stichting Non Solus en het gaat over tien gedichten van Constantijn Huygens, Jan Luyken, Prosper van Langendonck, Willem Elsschot, Richard Minne, Paul van Ostaijen, Marnix Gijsen, Maurice Gilliams, P.G. Buckinx en Heinrich Heine doorgelicht en gecommentarieerd door R.F. Lissens. Ik weet niet meer hoe dit kleine unieke boekje ooit in mijn bezit kwam, maar in twee à drie bladzijden helder en heerlijk commentaar kon deze geleerde professor zijn liefde voor de lyriek verwoorden en mij voorgoed inwijdde in het geheime genootschap van de stille bewonderaars en lezers. Dankzij dit boekje las ik voor het eerst het gedicht ‘Winter te Schilde’ van Maurice Gilliams met die prachtige expressieve verzen: “Het is een vlakte waar geen moeders wonen; / het sneeuwt en blinder zwellen de moerassen.”

Of voor het eerst het gedicht ‘Verweer tegen de winter’ van Richard Minne: “Gij land van sneeuw en snerpend ijs, / wat heb ik van u te verwachten?” Of het gedicht ‘Bij een sterfbed’, dat zo begint: “Dat wij allen / aan dit leven / kleven / lijk een oester aan haar schelp, / lijk aan de tepel der leeuwin / de weke welp, / doet dat mij beven?” Daarom en daarom alleen ga ik deze professor en doctor groeten in die kerk. Niet om de lange en indrukwekkende lijst van zijn eretitels (grootofficier, eerste directeur, emeritus hoogleraar en nogmaals grootofficier), maar uit dankbaarheid en herinnering aan dat ene boekje dat allicht nog weinigen hier te lande of in onze geterroriseerde steden ooit hebben gelezen of heden bij dit toch nog onverwachte afscheid nog kunnen en willen lezen.

Hendrik Carette