Zijn dat geen “vijgen na Pasen” (in Nederland “mosterd na de maaltijd”) vraagt de lezer zich af? Neen, want een fascinerende figuur als Jezus is altijd een column waard.

De collaborateur

Nauwelijks een week nadat ik “Scourge of Rome” las – een historische roman over de val van Jeruzalem in 70 – vind ik bij de nieuwste aankopen in de bib van Mechelen “Jezus & de vijfde evangelist”, een nieuw boek van de populairste Nederlandstalige schrijver over de oudheid, Fik Meijer. De auteur is één van de vertalers van de boeken van Jozef, zoon van Mattias, beter bekend als Flavius Josephus. Josephus speelt de rol van de slechterik in die roman. Bij Meijer komt hij er iets beter af, al vindt die hem ook een snoever, een praatjesmaker en op zijn best een gewetenloze opportunist die Joodse legers leidt in de opstand van 66. In het nauw gebracht, moedigt hij al zijn lotgenoten aan tot zelfmoord, waarna hij zich als laatste overlevende overgeeft en de gewaardeerde adviseur en zware collaborateur wordt van de latere Romeinse keizers Vespasianus en (diens zoon) Titus, die op een gruwelijke wijze de opstand neerslaan en Jeruzalem verwoesten. Maar Josephus is ook de eerste niet-christen die kort over Jezus schrijft en die de belangrijkste bron is over het Jodendom en Judea en Galilea in Jezus’ tijd.

De historische Jezus

Meijer vertelt boeiend het leven van de historische Jezus en dat wijkt nogal af van het verhaal van de evangelisten die uiteraard over de in hun ogen Zoon van God schrijven, zich weinig van chronologie aantrekken en dat eerst veertig tot zeventig jaar na Jezus’ dood doen. Meijer neemt afstand van de wonderverhalen maar doet dat met veel respect voor het christendom, zonder enige neerbuigendheid. We zijn ver van de obsessieve katholiekenhaat van nitwits als zoontje De Gucht en voorzitter Peeters van deMens.nu (humanistisch verenigingen), één van de grootste intriganten die ooit de VRT onveilig maakte en die intellectueel met moeite Jommeke aankon.

Jezus wordt geboren tussen 6 en 4 v.C. ten tijde van de regering van de door de Romeinse bezetters aangestelde koning Herodes die in 4 v.C. stierf. Meijer gelooft niets van het evangelieverhaal dat Jozef en Maria naar Bethlehem trekken omdat keizer Augustus een volkstelling afkondigt zodat iedereen zich moet inschrijven in de plaats waar de stamvader geboren is. Die volkstelling heeft eerst tien jaar later plaats, in het jaar 6. De Romeinen zijn praktische jongens met een groot wantrouwen jegens de Joden en ze denken er niet aan iedereen uit hun dorpen en stadjes te jagen met alle problemen van dien. Waarschijnlijk hebben de evangelisten Bethlehem verzonnen om Jezus als een afstammeling van koning David voor te stellen. Meijer heeft ook zeer grote twijfels bij het verhaal over de twaalfjarige Jezus die over theologisch onbenullige details discussieert in de tempel van Jeruzalem; de enige keer voor zijn lijdensweek dat hij volgens de evangelisten (met uitzondering van Johannes) de stad bezoekt.

Houtbewerker in Nazaret

Jezus groeit op in Nazaret; een gehucht met nauwelijks een paar honderd inwoners waar iedereen iedereen kent. De evangelisten hebben wat problemen met de gezinssamenstelling, maar Marcus schrijft toch over de reacties als Jezus in zijn eigen dorp preekt: “Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses en Judas en Simon. En wonen zijn zusters hier niet bij ons?” Volgens Meijer is er geen reden om dat niet letterlijk te nemen. Jezus is een houtbewerker zoals zijn vader die vroeg uit het evangelie verdwijnt, zodat de Nazareners verwijzen naar Maria en niet naar Jozef zoals de gewoonte is. De schrijver vestigt er de nadruk op dat in een piepklein dorpje als Nazaret geen werk is voor een ambachtsman. Hij trekt de conclusie dat Jozef en Jezus haast zeker werk vinden in de nabijgelegen stad Sepphoris, een bolwerk van het hellenisme met veel niet-Joodse bewoners en rijke Joden die zich niet veel aantrekken van hun geloof en de wetgeving van Mozes. Jezus, die uit een arm Joods gezin stamt, is een traditionele Jood die niet veel op heeft met vreemdelingen, want hij laat zich zeer lang pramen die ene keer dat een vreemdeling een beroep doet op hem. Volgens Meijer is de honderdman met zijn bekende “Heer, ik ben niet waardig…”, geen Romein, maar een officier van Herodes Antipas, vorst van Galilea en zoon van de bekende Herodes. Jezus is een analfabeet die zelf geen teksten schrijft. Zijn moedertaal is Aramees, maar misschien kent hij ook Hebreeuws.

Josephus over Jezus

Zijn openbaar leven begint rond zijn dertigste. Bekend is de uitdrukking “Niemand is profeet in eigen land”, want zijn dorpsgenoten vragen zich af wat er gevaren is in die houtbewerker die ze zo goed kennen en die plots begint te preken hoewel hij niet tot de priesterklasse behoort of een opleiding heeft genoten. Jezus is echter niet de enige prediker, want Josephus somt een lange reeks namen op van reizende predikers die aanhangers rond zich verzamelen. Josephus besteedt exact elf regels aan Jezus in zijn “Oude geschiedenis van de Joden”. Zelfs aan die regels wordt getwijfeld, omdat in de tekst de zin staat: “Hij was de Christus.” Dat betekent dat Josephus zou geloofd hebben dat Jezus de Messias en de Christus (de gezalfde) is en daar is geen sprake van. Meijer is er zeker van dat dit een latere christelijke toevoeging is maar na homerische discussies met andere experten blijft hij overtuigd dat de rest van de tekst authentiek is. Die eindigt met de zin: “Tot op de dag van vandaag is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.” In zijn boek “De Joodse oorlog” bespreekt Josephus uitgebreid de harde hand van procurator Pontius Pilatus tijdens diens bewind (26-36 n.C.), maar Jezus is niet belangrijk genoeg om hem te vermelden.

De bouwer

Jezus leeft in een bewogen tijd. De Joden hebben een rijke schriftelijke en orale traditie, een voor de oudheid unieke godsdienst en rigoureuze en soms fundamentalistische visies, waarbij ze elkaar geregeld in de haren vliegen en niet terugdeinzen voor moord en doodslag. Jezus heeft als kind ongetwijfeld veel verhalen gehoord over de Romeinse verovering 58 jaar voor zijn geboorte. (Ter vergelijking, de Tweede Wereldoorlog is al 71 jaar voorbij.) En hij kent natuurlijk de prestaties van Herodes de Grote. Deze Idumeeër (in 129 is Edom bij Judea ingelijfd, waarna de mannen besneden worden en het joodse geloof aannemen) geldt voor veel Joden niet als een echte Jood. Hij is een zeer trouwe vazalkoning van Rome en in ruil mag hij over alle gebieden van het vroegere grote Joodse koninkrijk regeren. Herodes roeit een deel van zijn familie uit om aan de macht te komen en aan de macht te blijven, maar hij is ook diepgaand beïnvloed door de Grieks-Romeinse beschaving. Hij is een bouwer die o.a. nog bestaande amfitheaters, paleizen en burchten in Caesarea, Massada en Jeruzalem laat optrekken. En hij is natuurlijk de bouwheer van het indrukwekkendste gebouw van de hoofdstad: de (derde) Tempel, het centrum van de joodse godsdienst. Hij wordt gehaat omdat zijn zware belastingen, om de Romeinen te betalen en zijn bouwwerken te financieren, het land doen leegbloeden. Zoals zo dikwijls zijn het vooral de arme Joodse landbouwers die uitgeperst worden. Na zijn dood verdeelt Rome zijn rijk. Zijn zoon Herodes Antipas mag als vorst verder Galilea besturen terwijl Rome rechtstreeks Judea met broeihaard Jeruzalem controleert.

(vervolg en slot volgende week)

Jan Neckers