Jezus is maar één van vele predikers die in Galilea en Judea volgelingen rondom zich verzamelen. Vooral in de gehuchten, dorpen en kleine stadjes wordt er intens naar die mannen geluisterd.

Johannes

De Romeinse heersers in Judea en Herodes Antipas, hun zetbaas in Galilea, zijn altijd op hun hoede voor die predikers. Vroeg of laat komt de armoede wegens de hoge belastingdruk ter sprake en gemengd met de haat voor de bezetters vormt dat een explosief cocktail. De heersers zorgen er dus voor dat ze altijd een paar spionnen in de buurt hebben die zich vermommen als leerling. De bekendste voorganger van Jezus is Johannes de Doper. Volgens het evangelie is ie familie van Jezus. In zijn boek “Jezus & de vijfde evangelist” wijst historicus oudheid Fik Meijer op de gelijkenis tussen het Oude (Abraham en Sara) en het Nieuwe Testament (Zacharias, Elisabet). Beide echtparen zijn oud en onvruchtbaar, en ze krijgen toch een kind. Johannes is wel de zoon van een priester en in tegenstelling tot de houtbewerker Jezus is het niet raar dat hij predikt. Meijer wijst op het ongemak van drie evangelisten in het verhaal dat Johannes Jezus doopt; een ritueel dat zonden uitwist en dat niet spoort met de zondenvrije Zoon van God. Evangelist Johannes vertelt dit verhaal dan ook niet in het jongste evangelie. Waarschijnlijk wordt Johannes de Doper gearresteerd omdat hij sociale onrust veroorzaakt door zijn verschijning. Kort na zijn onthoofding vlucht Jezus voor veertig (een symbolisch getal) dagen naar de woestijn. Om zijn gedachten te ordenen? Uit vrees voor een klacht door de spionnen van Antipas?

De wonderdoener

Bij zijn terugkeer zwerft Jezus door Galilea om te preken. In Nazaret is men sceptisch, maar elders heeft hij wel succes. Het evangelie spreekt over 5.000 mensen bij de broodvermenigvuldiging. Dat is goed mogelijk, want ook andere profeten worden gevolgd door duizenden aanhangers, schrijft de Joodse overloper Flavius Josephus. De overheden liquideren geregeld een prediker en honderden volgelingen, maar de boodschappen van Johannes en Jezus roepen niet op tot opstand tegen het gezag, dus kan het volstaan alleen de predikers te executeren en de aanhangers naar huis te zenden. Jezus heeft ook een paar welstellende volgelingen (zelfs een paar gehate belastinggaarders). Niet toevallig worden die wel altijd bij naam genoemd omdat de evangelisten beklemtonen dat niet alleen de armen welkom zijn. Ze vestigen natuurlijk de aandacht op de vele wonderen die Jezus verricht. Mensen in de oudheid hebben weinig problemen met die verhalen, want rationele sceptici zijn erg zeldzaam. Jezus is niet de enige mirakelwerker van zijn tijd. Er lopen nog wonderdoeners rond, zoals de Joden Honi en Hanina. Apollonius van Tyana geneest ook miraculeus, zij het dat zijn kracht komt van oppergod Zeus. En tot het einde van het ancien régime geloven veel Fransen dat hun gezalfde koning mensen kan genezen door handoplegging (soms met resultaat, omdat arme mensen aalmoezen krijgen en zich een tijdje beter voeden). Het heeft weinig zin om voor ieder mirakel een rationele reden te zoeken, zoals sommige vrijmetselaars nog altijd minachtend de evangelies uitleggen.

Taboes breken

Wel is het zo dat Jezus in die paar jaar van zijn openbaar leven nogal wat religieuze en maatschappelijke taboes doorbreekt. Hij omringt zich met vrouwen zoals Maria van Magdala en de zussen Maria en Martha. De Joodse maatschappij is door en door paternalistisch. De plaats van de vrouwen is in de keuken en bij de kinderen en daarmee basta. Jezus behandelt vrouwen niet anders dan de mannen in zijn omgeving; op dat punt is hij revolutionair. Jezus is ook geen Joodse scherpslijper voor wie de letter van de wet belangrijker is dan de geest. Hij respecteert de sabbat, maar hekelt de schijnheiligheid van de Farizeeërs die hem verwijten de zevende dag mensen te genezen. Hij zegt de mensen dat de sabat er is om te rusten, om te genieten, om plezier te maken en hij tast het gezag van de traditionele bekrompen priesters aan. Jezus spreekt een gewone taal en gebruikt geen hoogdravende woorden. Iedereen kan zijn verhalen en parabels begrijpen. En natuurlijk is de essentie van zijn leer, naastenliefde, een begrip dat haaks staat op de mores van zijn tijd. Hij predikt geen opstand, maar toch wordt hij een bedreiging door zijn klemtoon op de komst van het koninkrijk Gods op aarde. De Romeinse en Joodse machthebbers lachen daar niet mee, want ze weten dat tienduizenden op het platteland van Galilea dat vertalen als een verandering van regime dat de elite wegveegt. Het gevaar voor een opstand komt dikwijls van mensen die nog weinig te verliezen hebben: van de door de belastingen uitgezogen verarmden. De sympathie van Jezus voor die armen maakt van hem een gevaarlijk man, al is hij geen heethoofd. Hij vlucht de bergen in wanneer men hem na de broodvermenigvuldiging tot koning wil uitroepen.

Christenen versus Joden

Waarom gaat hij dan voor de tweede keer in zijn leven – na een afwezigheid van twintig jaar – naar Jeruzalem? Misschien ziet hij geen andere uitweg meer omdat zijn aanhangers in Galilea een oproep tot geweld verwachten, al weet hij dat ook de Romeinen en de Joodse elite hem als een vijand zien. In tegenstelling tot de vele schilderijtjes in onze kerken is hij maar één van de tienduizenden pelgrims die op Palmzondag naar die stad met 80.000 inwoners trekken, al zullen er wel wat mensen hem verwelkomd hebben. De Jezus van de laatste week is veranderd. Hij is agressiever, spreekt over “het zwaard” en gooit een paar tafeltjes van geldwisselaars om op het voorplein van de Tempel. Dat is eerder een symbolische daad want er lopen duizenden mensen rond, ook veel niet-Joden. In de feitelijke Tempel zijn alleen Joden welkom; vrouwen zo ver mogelijk verwijderd van het Heilige der Heiligen. Jezus predikt nog een paar dagen in de Tempel, tot de Joodse autoriteiten genoeg van hem hebben. Was het verraad van Judas echt nodig? Want ze kennen Jezus maar al te goed van zijn prediking. Ze arresteren hem en leveren hem uit aan de Romeinse procurator. Hier staan de teksten haaks op de historische realiteit. Pilatus is niet de twijfelaar van het evangelie. Hij wordt in 36 n.C. naar Rome teruggeroepen omdat hij zich al tien jaar schuldig maakt aan afpersing, martelingen en gewelddadig optreden. Hij aarzelt niet Joden te executeren zonder enige vorm van proces. Het lijkt er sterk op dat de evangelisten met hun verhalen over Barabbas en het heen en weer zenden van Jezus naar Antipas zoveel mogelijk de schuld voor zijn dood bij de Joden leggen en niet bij de Romein. De evangelies zijn geschreven nadat Titus Jeruzalem heeft verwoest en de christenen bewijzen graag dat ze wel deugdzame burgers zijn. Na de vreselijke Romeinse geseling is Jezus niet meer in staat de dwarsbalk te dragen die bevestigd wordt aan de palen op Golgotha. Hij wordt spiernaakt aan het kruis bevestigd en buiten Johannes hebben zijn leerlingen hem verlaten, maar zijn moeder en veel van zijn vrouwelijke discipelen staan er wel. Volgens de evangeliën verrijst hij de derde dag uit de doden en verschijnt hij het eerst aan twee vrouwelijke aanhangers. Het zegt iets over de geborneerdheid van de katholieke kerk (en haar angst voor de macho’s in Afrika en Zuid-Amerika) dat ze ondanks het voorbeeld van Jezus nog altijd het priesterschap aan vrouwen weigert.

Jan Neckers