Albert
De man die kwam aangestapt in de richting van mijn bank, deed mij denken aan een militair. Hij liep kaarsrecht.

Voor mijn bank bleef hij staan, wees naar de lege plek naast mij en vroeg: “Mag ik?”

“Wees welgekomen”, zei ik.

Hij zat nog maar pas neer toen een groepje jongeren voorbijliep. Wat betreft kledij zagen ze er niet fameus uit. Wij noemden dat vroeger slordig. Maar ik heb geleerd dat zij dat cool vinden. In alle eerlijkheid, ik heb het er moeilijk mee omdat ze soms een reukje hebben. Door de frisse lucht op het terras rook ik ze niet.

De man naast me keek hen na.

“Mooi, hé…”, zei hij.

Ik trok mijn gezicht in een grimas.

“Dat is tegenwoordig normaal”, ging hij verder. “En wat ze dragen, is niet goedkoop.”

Ik knikte om hem gelijk te geven.

“Het is niet alleen de kleding, maar meer nog hun gedragingen. Weet je wat een goede oplossing is om die gasten te normaliseren?”

“Zeg het maar”, zei ik.

“Het invoeren van de verplichte legerdienst kan hen mogelijk normaal maken.”

Ik wist niet goed wat daarop te antwoorden. Ik hoefde het niet te doen, want hij ging zelf verder.

“Ik was in mijn jonge jaren ook ene die al eens buiten de lijntjes durfde kleuren. Toen ik 18 jaar werd, kreeg ik mijn oproepingsbrief voor mijn legerdienst. Ik dacht daar een lolleke van te maken. Vergeet het. Ze hebben van mij een man gemaakt. Hoe raar het misschien kan klinken, ik heb er tot op van vandaag geen spijt van.”

“Hoe verliep het voor jou?”, vroeg ik.

“Volgens de studies die je had gedaan, kon je gewoon je tijd kloppen bij den troep. Je kon ook voor reserveofficier gaan. Dat kostte je een paar maanden meer legerdienst, maar eens je officier was, kreeg je meer wedde. Gezien mijn thuissituatie kwam dat van pas. Ik moest bij de luchtafweerartillerie in Lombardsijde. Ik slaagde in mijn examen en mijn broodje was gebakken tot de diensttijd erop zat.”

“Lombardsijde ligt bij Nieuwpoort”, zei ik. “Daar staat een standbeeld van koning Albert.”

“Zwijg mij van die gast”, zei hij. “Iedere vrijdagmiddag moesten wij vanuit de kazerne met geweer en rugzak naar het standbeeld van Albert lopen, er omheen draaien en terug. Een heel eind. Was je binnen de tijd terug, dan mocht je dat weekend naar huis. Sindsdien kan ik die vent op zijn paard niet meer rieken of zien. Hij staat daar in brons in een open galerij. Het is te zeggen, hij staat daar niet, hij zit op een paard.”

“Men noemt hem ook de koning-soldaat”, zei ik. “De oud-strijders van de Eerste Wereldoorlog lieten zijn beeld maken net voor de Tweede Wereldoorlog begon. Ze deden dat omdat hij aan het IJzerfront de verrichtingen van zijn soldaten op de voet volgde.”

Als enige reactie op wat ik zei, blies hij lucht uit zijn bolle wangen.

“Weet je dat de oorspronkelijke sabel van het beeld werd gestolen?”, grinnikte de man. “Hij kreeg een nieuwe, en die is te klein.”

“Albert heeft meerdere standbeelden”, zei ik.

“Het kanaal dat van Antwerpen naar Luik loopt, werd naar hem genoemd. Daar staat aan de zuidkant eveneens een kolossaal beeld. Maar het enige dat ik nooit vergeet is dat van Nieuwpoort”, zei hij. “Ik was toentertijd blij hem te zien, want dan waren we al halfweg in onze loop hopend op verlof.”

Ik deed mijn duit in het zakje: “Wij zitten hier maar te praten over standbeelden van Albert. Maar in Antwerpen aan de rand van het stadspark staat zijn uitzonderlijk groot monument. Albert is voorgesteld in veldtenue, met helm, en in de rechterhand heeft hij een sabel. Hij zit op een stappend paard en wordt geflankeerd door twee beeldengroepen op lager niveau.”

“Wat denk je van een ander onderwerp voor ons gesprek”, zei de man. “Albert komt stilaan mijn neusgaten uit.”

Hij kreeg gelijk.

TdW