2016-16_17_Praten met Joachim Pohlmann (Medium)Volksunie zonder eigen identiteit

Een gesprek met Joachim Pohlmann, woordvoerder van de N-VA en schrijver, over zingeving, de grote verhalen van het Westen en zijn nieuwe roman.

Als tiener droeg Joachim Pohlmann (1981), Kempenaar met Oostenrijkse wortels, al foldertjes rond voor de Volksunie. Aan de KULeuven leerde hij Bart de Wever kennen, toen nog assistent. Thans leidt Pohlmann de strategische en operationele communicatie van de N-VA in goede banen. Hij is één van de N-VA’ers die meedenkt over de langetermijnkoers van de partij. Hij geldt ook als de intellectuele sparringpartner van voorzitter De Wever.

Hoewel Pohlmann zelf aangeeft dat hij niet meer in de grote verhalen gelooft, heeft hij er toch al twee geschreven. Zijn tweede boek, de roman “Een Unie van het Eigen”, ligt sinds 11 april in de winkel. De eerste recensies zijn bijzonder lovend. Er wordt zelfs gewag gemaakt van een vervolg op het “Verdriet van België”. Een conservatief Vlaams schrijver met een goede pen die overdag werkt voor Vlaanderens grootste partij en ’s nachts leest of boeken en columns schrijft… Reden genoeg voor de praatstoel leek ons.

’t Pallieterke: de thematiek van uw beide romans is het nihilisme. U stelt dat we leven in een tijd waarin de grote verhalen hebben afgedaan…

Joachim Pohlmann: “Dat klopt, het nihilisme in de zin van Nietzsche, namelijk “de onmogelijkheid om überhaupt nog iets te kunnen geloven”, teistert het Westen. Onze cultuur heeft de consensus over haar verhalen verloren. Wanneer we nu over waarden en normen spreken, blijft het te veel op het niveau van basale evidenties. We hebben het over vrijheid van dit, vrijheid van dat, rechten en plichten, maar zo’n zaken verbinden onvoldoende, het zijn principes, maar geen verhalen. Ze regelen het gedrag tussen tegenstrijdige verhalen, maar ja, als die er niet meer zijn…”

’t Pallieterke: u zegt dat wij in Europa geen grote verhalen meer hebben. Hebben ze die in de Verenigde Staten nog wel?

Pohlmann: “Inderdaad, ze hebben het verhaal van “one nation under God” en van “the American Dream”. Al brokkelt dat ook af. Maar goed, het is een pak beter dan in Europa, want bij ons is er slechts een verhaal van relativisme en materialisme. Decennialange afbraak door onze intellectuelen en de huiverachtigheid van de politiek, dat heeft een zware tol geëist. Dat laat ruimte, bijvoorbeeld voor moslimextremisme.”

’t Pallieterke: heeft IS wel een groot verhaal?

Pohlmann: “Nee, ik zou het zeker geen groot verhaal noemen. Ze hebben een ideologie. En er is een groeibodem voor die ideologie, want leegtes worden opgevuld. Let op, ik wil niet gaan socialiseren. De “Belgische” Syriëstrijders zijn zelf verantwoordelijk voor hun keuze, maar ik stel wel vast dat we gevaarlijke ideologieën te veel ruimte laten door onze laksheid en ons onvermogen om zelf een krachtig verhaal te formuleren. Als we zo doorgaan, dan is dit de ondergang voor Europa zoals wij het kennen.”

’t Pallieterke: Spengler stelde het hard: “Optimisme is lafheid.” Maar hij noemde zich geen pessimist, want hij ziet nog uitwegen. Is onze tolerantie tegenover het vreemde te groot geworden? Met andere woorden, “schaffen wir uns ab” volgens u?

Pohlmann (bedacht): “Optimisme is lafheid? Dat is te sterk, maar er zit wat in, al denk ik ook aan naïviteit en luiheid. Karl Popper zegt dan weer dat optimisme een morele plicht is. Daar ben ik het evenmin mee eens. Maar Popper zag wel terecht in dat te veel tolerantie leidt tot de vernietiging. In “Grenzen aan tolerantie” vergelijkt Hans Verboven het met techniek: “Tolerantie is de maximale afwijking van de standaard die toegelaten wordt om de correcte werking van een onderdeel of machine te garanderen.” Het probleem is dat we geen standaard meer hebben, dus kunnen we ook de grens van het toelaatbare niet meer bepalen. Ergens zullen we een lijn moeten trekken.”

’t Pallieterke: dus toch voorzichtig optimisme bij u?

Pohlmann: “Ik heb geen glazen bol. Ik weet wel dat we heel veel gaan moeten bouwen. Europa is sterk als ze zich op haar gemeenschappelijke traditie richt. De gemeenschappelijke Europese traditie is rijk genoeg om te kunnen herbronnen op de klassieke oudheid, het christendom, het humanisme en de verlichting. Ik geloof niet dat de politiek zo’n verhaal kan verzinnen, laat staan opleggen. De politiek kan het hoogstens codificeren. Om het te doen leven, moet iedereen in de maatschappij zijn bijdrage leveren.”

’t Pallieterke: in uw roman is de collaboratie menselijk en begrijpelijk voorgesteld. Er is de financiële overlevingsdrang van de kleine middenstander, de onvoorspelbaarheid der verliefdheid, maar ook de ideologische betovering bij de oostfronter. Waarom eigenlijk steeds weer die collaboratie? Is dat geen koren op de molen van uw politieke tegenstanders?

Pohlmann: “Nee, helemaal niet. Als je je personages over vier generaties spreidt en als je over ideologieën schrijft, kan je er niet naast kijken, natuurlijk. De geschiedenis is wat ze is. Ik wilde eigenlijk primair de grote ideologische verhalen van de twintigste eeuw aanhalen: het nationaalsocialisme, het communisme en het kapitalisme. Met de verschillende personages wilde ik tonen dat deze ideologieën gefaald hebben. En waarom zou ik de collaboratie niet gebruiken? Na het onderzoek van Aline Sax over de verschillende vormen van collaboratie in Vlaanderen en bijna vijfenzeventig jaar later, kunnen we toch wel nuchter over de collaboratie spreken, niet?”

’t Pallieterke: bent u met uw kritiek op de almacht van de technologie een romanticus? Zie ik hier Martin Heidegger en Ernst Jünger doorschemeren?

Pohlmann: “Wel, vanuit de Duitse filosofische traditie van het idealisme – en idealist ben ik toch wel – is het maar een kleine stap naar de romantiek. Maar omdat we het nu over de technologie hebben, wil ik toch wel stellen dat ik geen hang heb naar voor-technologische tijden. Ik ben geen romanticus in de zin dat ik bijvoorbeeld terug zou willen gaan naar mijn dorpje in de Kempen of een andere pastorale setting, dat zeker niet. Tijden veranderen nu eenmaal, en wij met hen. De technologie laat zich niet stoppen, maar we kunnen wel bepalen in welke mate we ons door haar laten beheersen. Ik omhels de moderne technologie, maar ik bepaal zelf de kracht van de greep. Omgekeerd zou het betekenen dat we de technologie ons laten verstikken. Dat is dan inderdaad de link tussen Heidegger en Jünger die u aanhaalt. Ernst Jünger schetste al in 1932 het beeld van een nieuw menstype, “de arbeider”. Het waren mensen die hun zingeving in de technologische arbeid zouden vinden of tenminste in geperfectioneerde arbeidsprocessen.”

’t Pallieterke: maar Ernst Jünger keerde zich toch van het type van de “arbeider” af? Is hij niet eerder diegene die “desinvoltura” of “onbetrokkenheid” preekte? Die zei dat men aan het spel kan deelnemen zonder er gehecht aan te zijn?

Pohlmann: “Jünger had het geluk meer dan honderd jaar oud te worden en hij kon zijn mening door ervaring en wijsheid bijstellen. Zijn voorspelling over de almacht van de technologie is voor een groot stuk uitgekomen, maar dat houdt geen waardoordeel in. De technologie biedt ons immers geen zingeving. Optimalisatie en technologische perfectie kunnen niet als grote verhalen dienen. De technologie moet louter een middel blijven. Technologie mag geen doel worden, laat staan een godheid, hoewel ze als afgod aanbeden wordt. De mens mag niet gereduceerd worden tot zijn nut, tot zijn arbeid.”

’t Pallieterke: is dat vandaag de dag wel zo? Dat nutsdenken staat namelijk centraal in de verhaallijn van Armin – in het hier en nu dus.

Pohlmann: “Dat is juist. Mensen zijn vandaag als het ware “geatomatiseerd”. Ze zijn individuen, kleine atomen in een systeem. Ik wil daarbij ook de nuance maken tussen de begrippen individu en enkeling. Ernst Jünger zag zich eerder als een enkeling. De enkeling is zich van de problematiek van de technologie bewust en stelt zich er geestelijk boven door de verbeelding. Ook Armin kent en begrijpt het systeem en hij beweegt zich vlot in de stroom. Maar door zelf terug te grijpen naar de stichtingsmythen van Europa toont hij via de verbeelding dat hij zin zoekt en ook zin creëert. Of hij het systeem blijft tolereren, laat ik bewust open.”

’t Pallieterke: u zit in de cockpit van een politieke partij. Uw personage Armin zit in de cockpit van een bank. Zijn er daar geen gelijkenissen? Bent u als partijstrateeg ook op zoek naar verbeelding als wapen tegen een systeem dat u als enkeling niet noodzakelijk zal blijven dulden?

Pohlmann (lacht): “U beeldt zich echt veel te veel in.”

Victalis


2016-16_17_Praten met Joachim Pohlmann 2Eindelijk terug een “grand flemish novel”

“Een Unie van het Eigen” is een meerlagige constructie en overspant vier Vlaamse generaties. De roman begint in de Tweede Wereldoorlog met een Vlaamse middenstander die in die moeilijke tijden graag wat bijverdient door aan de Duitsers te leveren.

Zijn zoon Raymond sluit zich deels uit jeugdig escapisme en deels uit bewondering aan bij de SS en trekt naar het oostfront – zeer tegen de zin van de vader, die een werkkracht verliest. Dochter Germaine is verliefd op een Duitse soldaat en ze krijgt een zoontje van hem. De soldaat sneuvelt…

De centrale verhaallijn is opgehangen aan de zoektocht van de terminaal zieke bejaarde Rolf naar de wortels van zijn onbekende, gesneuvelde vader. Hij zoekt identiteit in een tijd waar de grote verhalen uitgediend hebben. Rolfs zoon Armin – op zijn Duits uit te spreken – begeleidt zijn vader tegen zijn zin. Zijn verhaallijn is eerder becommentariërend. Armin is een nihilist die zich heeft opgewerkt tot topman binnen een grote bank. Armin is volledig mee met de moderne technologie en gebruikt deze om zin aan zijn bestaan te geven.

Via flashbacks en naast elkaar lopende verhaallijnen worden collaboratie, repressie en de naoorlogse geschiedenis van Vlaanderen (o.a. mijnstakingen) door de ogen van een kleine familie mee geschetst. Sommige passages zijn best wel filosofisch, en steeds weer schemeren de grote Duitse denkers door, voornamelijk Heidegger en Ernst Jünger. De vertelcompositie wordt nog indrukwekkender door de ontwikkeling van de Theseusmythe, de doder van de Minotaurus en latere koning van Athene. In de roman is het Armin die als het ware het startpunt biedt van een nieuwe Europese stichtingsmythe. Een zoektocht naar identiteit op micro- en macroniveau dus.

Het boek wordt uitgegeven door uitgeverij Polis, telt 434 bladzijden en kost 22,50 euro.
ISBN: 978-94-6310-112-7


Communicatie voor een politieke partij – een vak apart

Tijdens ons gesprek trilt Pohlmanns telefoon herhaaldelijk. Het haalt hem telkens een fractie van een seconde uit zijn concentratie, en we observeren steeds een lichte irritatie die strijdt met de drang om de berichten te bekijken. Het leven van een woordvoerder is hectisch.

’t Pallieterke: de N-VA gaat er prat op een aparte communicatiestijl te hanteren. Maar wat is dan zo speciaal?

Pohlmann: “Inhoudelijk verschilt onze stijl toch wel van de anderen, vind ik. We zeggen wat de mensen ook aanvoelen, vanuit het gezond boerenverstand, en we durven dingen scherp stellen, maar we zorgen dat we ook kunnen waarmaken wat we zeggen.”

’t Pallieterke: N-VA was de eerste partij die consequent inzette op de sociale media. U bent echter geen grote fan van Facebook en Twitter?

Pohlmann: “Ach, ik heb wel een account, maar ik ben er eigenlijk niet veel mee bezig. Weet je, ik leef al zo sterk in de waan van de dag. Als ik dan nog met Twitter meedoe, wordt het de waan van de minuut. Dan stopt het nooit. Twitter is niets voor mij, net als de meeste sociale media. Je kan de evolutie van de technologie niet tegenhouden. Maar of je er deel van moeten worden, is een andere zaak. Ik heb ’s avonds nood aan rust en contemplatie en pak dan een boek.”

’t Pallieterke: zien we Pohlmann binnen tien jaar eerder als romanschrijver dan als woordvoerder?

Pohlmann: “We zullen wel zien. Tien jaar is wel heel ver af. Ik werk eigenlijk met vijfjarenplannen in mijn leven en ik begin net aan een nieuwe periode. Voorlopig staan schrijven en politiek daar beide in, maar op termijn is het niet houdbaar, allicht.”