Bij aankomst op het Noorderterras zag ik onmiddellijk dat er niet veel volk was. Even zat ik op mijn bank. Omdat ze leeg bleef, stond ik op en ging aan de reling van het terras staan, om naar de Schelde te  kijken. Ik keek. Het was zomaar kijken. Het uitzicht op de Schelde ken ik uit het hoofd. Ik wachtte op praatgezelschap en zuchtte heel diep.

“Wachten!” zei ik hardop tegen mezelf, alsof dat zou helpen.

“Wachten is een schone zaak”, klonk plotseling de stem van een man die naast mij was komen staan. “En wachten kan soms verrassend zijn”, voegde hij eraan toe.

Ik keek opzij en zag een man die ik mijn leeftijd schatte.

“Je mag weten dat ik een grondige hekel heb aan wachten”, zei ik.

Hij glimlachte en zei: “Wanneer je achteruitkijkt, ben je verbaasd hoeveel tijd van je leven al is opgegaan aan wachten.”

Ik somde op. “Wachten op de tram. Wachten op de bus. Wachten op de trein. Wachten op goed weer dat op zich laat wachten, al beloven de weermannen en weervrouwen de hemel op aarde.”

“Ik probeer je een goede raad te geven”, zei hij. “Als ik ergens lang moet wachten, dan vul ik die tijd met gedachten. Ik heb de keuze tussen leuke gedachten of gedachten aan minder aangename voorvallen in mijn leven.”

Ik knikte. “Soms zie je mensen die hun wachttijd opvullen met praten tegen zichzelf. Dan zie je hun lippen zachtjes bewegen en hoor je één of de andere klank. En dan zijn er weer anderen die bij het wachten in dromen verzonken zijn.”

“Is het jou al opgevallen hoeveel woorden er zijn waar het woord wacht in voorkomt?”, vroeg de man. “Wachtdienst, wachtzaal, wachtgeld, schildwacht, wachtpost, wachtuitkering, wachtlijst, wachtkamer, wachtwoord, wachtmeester, wachtdienst, wachthuisje…”

“Ik hou van uitspraken en gezegden met wacht erin. Een mooie is ‘de wacht aflossen’. Het betekent de wakende personen door andere vervangen. ‘Iets in de wacht slepen’ duidt op iets meenemen.”

Hij pikte in. “Een oudere uitdrukking luidt: ‘Iemand de wacht aanzeggen.’ Daarmee wordt bedoeld: iemand zeggen wat zijn of haar plicht is, waaraan hij of zij zich te houden heeft, mogelijk onder bedreiging van straf.”

Ik zuchtte opnieuw en zei: “Ik wist niet dat men van wachten zo moe kan worden. Onlangs las ik: ‘Men moet zich wachten voor gesuikerde tongen en gepeperde harten.’ Het betekent dat men moet opletten voor vleiers en geprikkelde lieden.”

Hij zei: “Een tijd geleden hoorde ik een uitdrukking waar ik kop noch staart aan krijg.”

“Misschien ken ik ze, laat horen.”

“’Wachten tot men een ons weegt.’ Maar hoeveel is een ons nu precies?”

“Een ons is honderd gram”, wist ik.

“Ik weet niet wat met dat gezegde wordt bedoeld.”

“De juiste verklaring is als volgt”, zei ik. “Iemand die eindeloos lang moet wachten en wachten en wachten, komt natuurlijk niet aan eten toe. Met enige overdrijving kan men dan veronderstellen dat die persoon tijdens dat wachten langzaam maar zeker vermagert tot hij nog maar honderd gram weegt.”

Hij schoot in de lach. “Lichtjes overdreven.”

“Wacht, man, het is nog niet gedaan. De Duitsers maken het nog straffer. Zij zeggen niet ‘wachten tot men een ons weegt’, zij zeggen ‘wachten tot je zwart ziet’. Krijg je tijdens dat lange wachten niets te eten, dan sterf je uiteindelijk van de honger. En als een lijk tot ontbinding overgaat dan wordt het zwart. Wachten tot je zwart ziet, is dus wel bijzonder lang wachten.”

“Wachten doet me ook denken aan waakzaam zijn. Wij moeten waakzaam blijven, gereed om te handelen. Oplettend en alert.”

“Maar sta ik in een rij en er staan tien wachtenden voor mij, dan vind ik dat rotvervelend”, gaf ik toe.

“Ken jij het woord wachtengel?”, vroeg hij.

“Een engelbewaarder”, antwoordde ik. “Ken jij een wachtglas?”

“Dat is een zandloper”, wist hij.

TdW