Hij plofte naast me neer met een bierblikje in zijn rechterhand. Met één ruk trok hij het open en nam een grote slok. Ik zag dat er een foto opstond van een voetballer. Hij slikte het bier door, waarna hij een kus gaf op de foto.

“Een Rode Duivel”, lachte hij.

“Een duivel is niet iets om fier over te zijn”, zei ik.

Zijn gezicht liep rood aan. “Wat durf jij te zeggen! Zij vertegenwoordigen ons land!”, riep hij luidkeels.

“Ik bedoel geen voetballer, geen Rode Duivel, maar een échte duivel”, suste ik. “Je weet toch wat échte duivels zijn?”

“Onze Belgische voetballers zijn Rode Duivels”, zei hij.

“Wanneer ik het heb over duivels bedoel ik de echte hellegeesten. Heb jij vroeger in de school niet geleerd hoe die er zijn gekomen?”

Hij staarde me aan, zei niets.

“God schiep de engelen. Eén van hen, Satan, een aartsengel, kwam in opstand en wilde de macht van God overnemen. Voor straf werd hij verbannen naar de hel, waar alle duivels terechtkomen. Duivel is dus niet zo een mooi woord. Ben je een duivel, dan ben je in feite een slecht mens geweest.”

Hij probeerde te protesteren, maar kreeg geen klank over zijn lippen, alleen een zacht gepruttel.

Ik wees naar de foto op zijn bierblikje en zei: “Wie haalt het nu in zijn hoofd de naam duivel aan sportmensen te geven. In feite is dat een belediging voor hen.”

Er viel even een stilte…

“Over duivels bestaan veel uitspraken”, nam ik terug het woord. “Luister: De duivel gaat rond als een briesende leeuw. Als je sommige van onze Rode Duivels ziet voetballen, lijken ze meer op een briesende leeuw dan op een duivel.”

Hij schoot los. “Ik krijg de indruk dat jij iets hebt tegen onze Rode Duivels. In het zweet huns aanschijns proberen ze de eer van ons land hoog te houden. Zij zorgen ervoor dat ons kleine landje bekend raakt over de hele wereld. Ze maken veel landgenoten blij met hun schitterende overwinningen. Of heb jij misschien iets tegen voetbal in het algemeen?”

“Waar haal je dat uit? In mijn jonge jaren was ik zelf een voetballer, centervoor alsjeblief, de goalgetter. Ik lepelde de goals binnen alsof ik pap zat te eten. Maar, beste vriend, ik was geen duivel, ik was een vogel.”

Hij was helemaal de draad kwijt en gaapte: “Een vogel?”

“Mijn ploeg heette Stormvogels. Dat was nog in het Katholiek Sportverbond, en wij werden niet rijkelijk betaald.”

“Amateurtjes”, smaalde hij. “Och, man, er gaat niets boven de Belgische Rode Duivels, de toekomstige wereldkampioenen. Zij zijn hun riante loon dubbel en dik waard.”

“Weet je wat ik me ook afvraag?”, zei ik. “Hoe zou een echte duivel in de hel er in werkelijkheid uitzien? Is hij rood, of is hij zwart? Als het zwart is, dan is Rode Duivels een verkeerde naam en zouden onze voetballers beter Zwarte Duivels worden genoemd. Dat heeft nog een ander groot voordeel.”

“Zeg op”, siste hij.

“Moest onze nationale voetbalploeg Zwarte Duivels heten, dan werden de niet-blanke voetballers die in de ploeg staan niet scheef bekeken. Ik vind dat er nog meer zaken kunnen veranderen. Daar ga ik het nu niet over hebben.”

“Gij kent niets van onze Rode Duivels”, zei hij met rollende ogen. “Onze voetballers zijn hun loon dubbel en dik waard.”

Op dat ogenblik liep een man voorbij in een shirt waarop in grote letters reclame voor de Rode Duivels stond.

“Kijk”, wees ik. “Als je van de duivel spreekt, zie je zijn staart. En gezien het loon van de Rode Duivels mag men zeggen: de duivel schijt altijd op de grootste hoop.”

“Wat wil dat nu weer zeggen?”, vroeg hij.

“Wie veel geld heeft, wordt steeds rijker.”

Hij stond op en liet zijn bierblikje staan. Ik pakte het voorzichtig op en dropte het in de afvalbak, zoals het hoort.

TdW