Zij hield een krant tussen duim en wijsvinger, ging zitten en legde die tussen ons in op de bank.

“Als je wilt, mag je hem inkijken”, zei ze.

“Ik heb hem thuis al gelezen”, zei ik. “Toch bedankt.”

“En heb je daarna je handen gewassen?”

Ik was even verrast door haar vraag.

Omdat ik niet antwoordde, ging ze zelf verder. “Ongelooflijk wat voor vuile handen men krijgt bij het lezen van een krant. Vooral wanneer voor een product reclame wordt gemaakt over een volle bladzij en dan nog in zwarte tonen. Heel dikwijls is dat de achterbladzij. Ik vind het heel vervelend. Thuis is het niet zo’n groot probleem, omdat men na het lezen de handen minstens even onder de waterkraan kan houden.”

“Jij zegt net hetzelfde als mijn vrouw”, lachte ik. “Onze waterkraan loopt regelmatig en niet alleen na het lezen van de krant. Het vervelende is dat je gedurende de dag regelmatig de krant eens ter hand neemt.”

“Hygiëne”, zei ze. “Als mijn kleinkinderen op bezoek komen, moet ik hen er regelmatig op wijzen dat handen wassen heel belangrijk is.”

“Komen ze dan bij jou de krant lezen?”, vroeg ik.

“Er zijn genoeg andere momenten waarna men zijn handen moet wassen. Je zei daarnet zelf dat het niet altijd uitgebreid hoeft te gebeuren. Een flinke straal warm water volstaat. Mijn dochter zegt dat ik soms overdrijf, maar bij mij zit het ingebakken. Hygiëne, ik blijf het herhalen. En dat gaat niet alleen over handen wassen. Properheid gaat verder dan dat. Soms kan zich een probleem voordoen.”

“Vertel eens”, porde ik haar aan.

“Er wordt gebeld. Je opent de deur en daar staat een man die op bezoek komt. Wat verwacht je?”

Ik wilde als grap zeggen dat hij vooraleer binnen te mogen eerst zijn handen moet wassen. Ik deed het niet. Ze zou het kwalijk kunnen nemen.

“Je verwacht dat hij tenminste zijn schoenen veegt”, zei ze.

“Als het regent”, veronderstelde ik.

“Ook als het niet regent, meneer. Die persoon komt van de straat. Waar heeft hij gelopen? Waarin heeft hij getrapt zonder het te weten? En zoals de straten er tegenwoordig bij liggen, is dat meer nodig dan vroeger.”

“Ik veeg altijd als ik thuiskom”, zei ik.

“Op een keer kwam de huisdokter bij ons voor mijn man, die zich niet goed voelde. Hij lag boven in bed. De dokter stapte binnen, liep de gang door en ging de trap op. Hij wist niet dat hij op straat in een hondendrol had getrapt. Dat voelt men niet altijd, maar het laat serieuze sporen na. Toen hij weg was, heb ik aardig moeten poetsen om die vuiligheid weg te krijgen.”

“Daar kon die man toch niets aan verhelpen”, zei ik. “Het is mij ook al eens een keer overkomen.”

“Natuurlijk, meneer. En het is geen verwijt. Maar weet je waar ik mij wel over opwind? Er komt bezoek van een vriendin. In de gang zet ze haar grote boodschappentas op de grond en ze hangt haar jas aan de kapstok. Ze pakt haar tas weer op, loopt de kamer in en zet haar tas, die God weet waar nog heeft gestaan, boven op de tafel. De tafel waaraan wij eten. Je vindt misschien dat ik overdrijf…”

“Daarin heb je nu eens overschot van gelijk”, zei ik.

“Je moet nadenken over wat je doet”, voegde ze eraan toe. “Maar handen wassen komt toch op de eerste plaats. Niet te geloven wat je allemaal met je handen doet en aanraakt!”

Er viel even een stilte. Ik wist niet goed wat zeggen.

“Mijn vriendinnen vinden dat ik overdrijf”, begon ze opnieuw.

“En nu zit jij hier met een vuile krant”, zei ik.

“Normaal wordt die ’s morgens gebracht. Vandaag werd het vergeten. Ik beloofde mijn man dat ik een krant zou meebrengen.”

“Weet je waarom ik niet in jouw krant wilde kijken?”, vroeg ik.

Ze was duidelijk nieuwsgierig.

“Ik zei dat ik de krant al had gelezen, maar dat is niet waar. Een leugentje om bestwil. Hier op het terras staan nergens waterkraantjes.”

TdW