Wie een jaar na zijn studies nog geen werk heeft gevonden kan een inschakelingsuitkering (vroeger ‘wachtuitkering’) aanvragen. Naargelang de gezinssituatie goed voor 434 tot 1.127 euro per maand. De regering Di Rupo beperkte in 2012 die uitkering voor jongeren (via de RVA) tot drie jaar. Nadien vallen ze eventueel terug op een leefloon (via OCMW). In Wallonië en Brussel veel meer dan in Vlaanderen.

Leeflooncijfers zijn interessant. Barbara Pas volgt die al jaren voor Vlaams Belang. Voor de N-VA doet Valerie Van Peel hetzelfde. De verwachting was dat de hierboven vermelde verstrenging ertoe zou leiden dat 1/3 van de werkloze jongeren op OCMW en leefloon zou terugvallen, aldus Van Peel. Een ander derde zou werk vinden, nog een derde geen recht vragen of krijgen. Nu blijkt dat – althans in Vlaanderen – maar 1 op de 5 jongeren bij het OCMW aanklopt. De rest vindt een job of is in staat te leven van andere gezinsinkomsten, stelt het Kamerlid op basis van cijfers van minister Willy Borsus (MR). Volgens Van Peel bewijst dit dat de beperking geen asociale maatregel is én dat Vlaanderen de zaak efficiënt aanpakt.

Mensen die langer dan drie jaar werkloos zijn, hebben volgens Van Peel meer baat bij een intensievere aanpak via het OCMW dan bij de VDAB, “want vaak is het probleem groter dan geen job kunnen vinden.” Dat zal wel zo zijn. Maar sommigen die door die maatregel worden getroffen verdienen beter dan een duw naar het leefloon of naar werk beneden het diploma.

Francofonië

De cijfers van Borsus en de RVA wijzen inderdaad op de regionale kloof in die materie. De maatregel had vorig jaar voor het eerst effect. Zo’n 29.155 mensen verloren hun uitkering, 19.265 in Wallonië, 4.807 mensen in Brussel, amper 5.083 in Vlaanderen.

In Vlaanderen valt maar eenvijfde daarvan terug op een leefloon, in Brussel eenderde, in Wallonië bijna de helft. Volgens Van Peel is dat verschil zo groot omdat er in Vlaanderen meer werk is en er hier ingezet wordt op minder overheid, maar meer economie.

De maatregel had vorig jaar voor het eerst effect. Interessant is ook de informatie over het verband tussen leefloon en migratie. In 2015 ontvingen welgeteld 183.728 mensen in ons land een leefloon. Dat bleek in het voorjaar uit andere cijfers van Borsus, opgevraagd door VB-Kamerlid Barbara Pas. Meer dan een kwart daarvan zijn niet-Belgen. Kostprijs: 243 miljoen euro (Marokkanen 23 miljoen, erkende vluchtelingen 22 miljoen, Congolezen 15 miljoen, Guineeërs 13 miljoen, Roemenen 10 miljoen, etc.). “Het begrip OCMW van de wereld spelen, kan haast niet letterlijker”, stelde de Vlaams Belangster, die meteen ook “het fabeltje als zou immigratie garant staan voor het opvangen van de vergrijzingskost” naar de vuilbak verwees.

OCMW’s kunnen leefloners een engagementsverklaring opleggen om een studie-, vormings- of tewerkstellingstraject te volgen (geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, GPMI). Dat gebeurt bij de Belgen (1 op de 6) veel meer dan bij EU-onderdanen (1 op de 15) en niet-EU’ers (1 op de 35).

Fabel

Een en ander betekent dat zowel in het communautaire debat als in het debat over migratie – nog veel meer dan vroeger – naast werkloosheidsstatistieken ook cijfers over leefloon van belang zijn. De daling van de werkloosheidscijfers in Wallonië (in absolute cijfers en afgerond vergelijkbaar met die in Vlaanderen) betekent geenszins dat de werkloosheidskloof opvallend vermindert. Het gaat vooral om een verschuiving. De economische heropstanding van Wallonië blijft helaas een fabel. De afbouw van de transfers ook. En dan zwijgen we nog over de opvatting dat onze samenleving massamigratie probleemloos zou kunnen opvangen.

Anja Pieters