Het kwam dan toch nog als een onverwachte tijding: het heengaan van onze medewerker Erik Verstraete, op 14 mei geboren in het oorlogsjaar 1944. Op zijn doodsbrief lees ik dat hij “vredevol in zijn slaap overleden” is op 29 mei 2016. Tijdens zijn zeer bedrijvig leven als journalist, dichter en essayist heb ik Erik leren kennen als niet altijd even vredevol, al was hij in de dagelijkse omgang een minzaam man met een gezond gevoel voor humor, al durfde die wel eens naar sarcasme of ironie neigen, vooral als het om de verloedering van onze mooie moedertaal of de verkwanseling van Vlaamse rechten ging. In zijn gedachtegang was Erik een vechter, om de simpele reden dat hij met zijn vlotte pen een strijder wilde zijn, niet alleen voor een vrij Vlaanderen, maar ook – ja vooràl – voor een Diets Vlaanderen. Niet voor niks was hij voor het leven bevriend geweest met de Dietse balling en dichter Wies Moens, voor wie hij een lijvig en steengoed verlucht gedenkboek heeft geschreven, destijds uitgegeven bij de befaamde Stichting Mercator-Plantijn. Jarenlang werkte Erik op de cultuurredactie van Gazet van Antwerpen, waar hij zich ontpopte als een beslagen kenner van onze Nederlandse letteren, de poëzie in ‘t bijzonder. Ook Alice Nahons Verzamelde Gedichten heeft onze gewezen medewerker voor diezelfde prestigieuze uitgeverij samengesteld en ingeleid. Misschien klinkt de naam Erik Verstraete onze lezers niet onmiddellijk bekend in de oren, maar zoals wel meer van die onafhankelijke geesten die aan dit weekblad voor mensen met een goed hart meewerk(t)en, gebruikte onze literatuurkenner een schuilnaam en die zal bij menige lezer(es) allicht wel een lichtje doen branden: Brederode. Het wilde wel eens voorvallen dat ondergetekende met Brederode even van gedachten moest wisselen over wie van ons beiden nu als verslaggever van dit veelgelezen blad zou optreden, want heel dikwijls liepen wij mekaar op dezelfde Vlaamsgezinde voorstelling voor de voeten: bij Voorpost, bij Dr. Borms, bij de voorstelling van een Vlaamsgezinde dichtbundel of bij een plechtigheid van de Vlaamse Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs (VVNA, intussen overgenomen door het Rodenbachfonds) waar wij beiden jarenlang bij aangesloten zijn geweest. Bij die VVNA verscheen Eriks verhandeling “Nederlandse Letterkunde in volkse zin”. Zéér degelijk werk, vonden toen (1977) de recensenten, maar het had wel wat breder uitgediept mogen zijn geweest. Het besloeg namelijk amper 24 bladzijden. Erik werkte ook mee aan wijlen Dietsland-Europa en als Pieter Vis, Mia Dujardin, de IJzerwake of andere straffe Vlamingen een beroep op hem en zijn goed geoefende pen deden, stond hij altijd klaar, minzaam maar strijdvaardig. En Diets, Vlaamse vrienden, want “hier en aan de overkant, daar en hier is Nederland!”. Zelf gaf Erik, niét onder schuilnaam, een drietal dichtbundels van eigen makelij uit: Verloren Land met als veelzeggende ondertitel “Tegen de tijdsgeest, voor een herontdekking van schoonheid en poëzie” – Sporen naar Utopia – Gebleven is de adel. Die bundels zijn ingeleid door respectievelijk Anton van Wilderode (van wie hij een haast tomeloze bewonderaar was), Jan Veulemans en Aleidis Dierick. Niet alleen prijkte bovenaan Eriks rouwbrief het AVV-VVK, maar ook een tekst door hemzelf geschreven die hem ten voeten uit tekent:

Wie ‘t kleine en ‘t fijne zoekt en vindt,

wie iedere dag de tedere dingen mint,

hij overwint de pijn, de ergernis,

hij weet gezwind welk kleine beetje lichter is.

hvo