Brussel en Parijs; het is altijd wat geweest (“als het regent in Parijs…”). Echter, de laatste jaren blijkt Brussel steeds meer op een soort klein Parijs te lijken. In de stroom van internationalisering neemt vooral de Franse aanwezigheid toe. Heel wat troeven zien onze zuiderburen: taal, vastgoedprijzen, noem maar op. Maar zegt die ontwikkeling niet vooral wat over de gemiste kansen van Brussel?

Een zekere verering bij sommige (heel wat?) Franstalige Brusselaars voor Frankrijk en de facto Parijs neemt soms grappige vormen aan. Toen een vriend, woonachtig in centrum Brussel, enkele jaren geleden een Franstalige kennis vertelde dat hij het weekend bij zijn ouders in het Mechelse ging doorbrengen, repliceerde die prompt met “alors, tu descends en province“. Het is een typische Franse opmerking, klakkeloos overgeplaatst naar een heel andere context. Je hebt Parijs en “la province“. Zeggen dat je van de Franse hoofdstad naar het buitenverblijf in pakweg de Bourgogne afzakt, tot daar aan toe; dezelfde terminologie gebruiken voor de waanzinnige afstand van net geen dertig kilometer die Brussel van de stad der manenblussers scheidt, is vrij belachelijk. Soit. Parijs is niet enkel een voorbeeld waaraan ze zich willen spiegelen, het is ook een vaststelling dat Brussel steeds meer tot klein Parijs uitgroeit. Naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van de Thalys-verbinding zette BRUZZ, een vreselijke naamsverandering van Brussel deze Week, maar dit terzijde, enkele dingen op een rijtje. Op die twee decennia tijd verdubbelde de groep Fransen in Brussel tot 60.000, waardoor ze de belangrijkste gemeenschap werden met een niet-Belgische identiteitskaart op zak. Het werkelijke cijfer ligt waarschijnlijk beduidend hoger. De meesten blijken een Parijse achtergrond te hebben, wat natuurlijk niets zegt over hun echte roots, in heel wat gevallen “la province”. Het bestaan van de Thalys lijkt daar niet vreemd aan te zijn. De treinverbinding Brussel-Parijs wordt wel eens als een “netwerkparadijs” omschreven. In een zweem van internationalisatie zou men geneigd kunnen zijn dit allemaal wat te nuanceren. De stad internationaliseert, en daarmee uit. Bij nader inzien is die analyse iets te kort door de bocht. Britten, Duitsers en Nederlanders vinden ook wel hun weg naar onze hoofdstad. Toch lijkt het geval van de Fransen wat apart te zijn. Brussel wordt als een Franstalige stad gepercipieerd, niet geheel onterecht overigens, waardoor de stap sneller wordt gezet. Steeds meer ontwaart men ook buiten het klassieke wereldje van internationale instellingen een groeiende Franse aanwezigheid. Zij zien hier mogelijkheden, zowel om te studeren als te werken. En aan voorwaarden die zoveel voordeliger zijn dan in de Franse hoofdstad. Het is een opmerkelijke vaststelling dat de Franse gemeenschap zich eerder in het ‘betere’ Zuiden van de stad concentreert. Zo krijgen naar verluidt bepaalde wijken van Ukkel een heuse Franse stempel, tot het aanbod van stokbroden toe.

In het BRUZZ-stuk worden enkele kanttekeningen geplaatst. “Moet Brussel op zijn hoede zijn voor de uitdeinende Franse invloedssfeer? Onze economie is de laatste jaren steeds afhankelijker geworden van Parijs en met de Thalys werd gekozen voor overwegend Franse technologie, waardoor de trein niet helemaal is aangepast aan het Duitse net.” Men haalt er ook Joris Sleebus in aan, de bezieler van Brukselbinnenstebuiten. “Brussel dreigt zo zijn scharnierfunctie tussen de Germaanse en Latijnse cultuur te verliezen”, stelt hij. “Zeker nu de Duitse hoofdstad is verplaatst naar Berlijn en Oost-Europa in volle ontwikkeling is. Daar hebben we letterlijk een trein gemist.” Verbaast dit voor een stad die het al zo moeilijk heeft hoofdstad te zijn van dit complexe federale land?

KNIN