Verwevenheid

Björn Soenens – we hoeven hem aan onze lezers allang niet meer voor te stellen – heeft onlangs een boek afgescheiden met de titel “Amerika: de droom op drift”. Het is een bijgewerkte versie van zijn vorige boek, “Amerika: biografie van dromen en bedrog”, dat hij vier jaar geleden schreef. Of het boek het lezen waard is, laten we over aan onze boekbesprekers. Niettegenstaande hij zich op de buis eerder als VS-hater dan als VS-kenner gedraagt, en de ondertitel aangeeft dat zijn boek vermoedelijk in dezelfde richting gaat, valt natuurlijk niet helemaal uit te sluiten dat zijn schrijfsel toch iets interessants kan bevatten.

Maar ons viel op dat bij de persvoorstelling het laudatio uitgesproken werd door… Open Vld-partijvoorzitster Gwendolyn Rutten. Een politica die de loftrompet komt steken van een journalist, in de meeste westerse landen zou het totaal onvoorstelbaar zijn, wegens absoluut onwelvoeglijk. Of het zou moeten zijn dat de journalist in kwestie een referentiewerk over een bepaalde politieke strekking of partij zou geschreven hebben. En zelfs dan nog.

In Vlaanderen blijkt dus dat zowel journalisten als politici denken dat zoiets de normaalste zaak van de wereld is. Waarmee die ene toespraak van amper vijftien minuten perfect illustreert hoezeer het in Vlaanderen fout zit, en dat niet op één vlak, maar zelfs op twee vlakken tegelijk.

Obama-fan Soenens

Maar ook in de inhoud van de toespraak van Gwendolyn Rutten zat een opmerkelijke passage, die in eender welk ander land niet door de beugel zou kunnen gaan. We citeren uit een passage over de presidentsverkiezingen van 2012: “Yes we can. We waren – en zijn denk ik – nog steeds allebei fan.”

Dat Gwendolyn Rutten nog steeds dweept met Barack Obama – en vandaag trouwens ook uitdrukkelijk met Hillary Clinton – is voor haar rekening. Maar dat een hoofdredacteur van het journaal op de openbare omroep zomaar laat passeren dat openlijk gezegd wordt dat hij een fan is van Barack Obama, dat is straffe kost. In een normaal land zou zulke openbaar aanvaarde getuigenis van zijn vooringenomenheid hem onmiddellijk diskwalificeren om op de openbare omroep ooit nog commentaar te mogen leveren bij welke Amerikaanse presidentsverkiezing dan ooit. Hier bij ons blijft men hem aan de televisiekijker voorschotelen als zogezegde “Amerika-watcher”. En de minister van Media, Sven Gatz, die laat maar betijen. Wacht eens, van welke partij is die ook al weer? Ah ja…

Haatberichten moeten van het net

Afgelopen week maakte de Europese Commissie samen met de vier grote technologiebedrijven Facebook, Twitter, YouTube en Microsoft een gedragscode bekend waarmee ze haatzaaiende berichten sneller van het net wil kunnen halen. De vier bedrijven beloven voortaan binnen 24 uur zulke berichten te zullen verwijderen, en ze gaan ook met mekaar afstemmen wat de criteria zijn om een bericht als “haatzaaiend” te categoriseren.

Gaan die criteria ook openbaar gemaakt worden? Officieel is de gedragscode een reactie op “terroristische groepen die gebruik maken van sociale media om jongeren te ronselen en racisten die sociale media gebruiken om geweld en haat te verspreiden”. Er valt inderdaad wel wat voor te zeggen dat berichten die werkelijk haat zaaien, en in het bijzonder berichten die oproepen tot moord of geweld, zo snel mogelijk van het net verwijderd worden. Niemand kan daar eigenlijk iets op tegen hebben.

Maar “haat verspreiden”, wat betekent dat eigenlijk? En hoe ruim zal dat geïnterpreteerd worden? In de pers doken bij het bericht al meteen de containerbegrippen “racistisch” en “xenofoob” op, en dan weet je al welke kant het zal opgaan. Voor je het weet zijn zelfs economische argumenten pro Brexit “xenofoob”, of een schampere opmerking over stakende Walen “racistisch”, en vliegen ze onverbiddelijk van het net.

“Onafhankelijke tegengeluiden”

Volgens de Europese Commissie is deze gedragscode van groot belang, zodat “vrije en democratische meningsuiting op internet mogelijk blijft”. Maar één van de puntjes in de gedragscode roept toch wel grote vragen op. We citeren: “De IT-bedrijven en de Europese Commissie erkennen de waarde van een onafhankelijk tegengeluid tegen haatzaaiende retoriek en vooroordelen, en zijn voornemens verder te werken aan het vaststellen en bevorderen van een onafhankelijk tegengeluid, nieuwe ideeën en initiatieven en ondersteunende educatieve programma’s die aanzetten tot kritisch denken.”

Let op het woord “vooroordelen”. Hiermee zijn we dus echt niet ver meer af van een Europese Commissie die voorschrijft hoe Europese burgers “kritisch” dienen te denken. De term “onafhankelijk tegengeluid” is een absolute lacher: hoe onafhankelijk kan een instantie eigenlijk zijn als ze door de Europese Commissie ingeschakeld wordt om een tegengeluid te geven tegen een mening die de Europese Commissie niet aanstaat? Voeg daar nog het wollige taalgebruik dat de hele gedragscode doorspekt aan toe, en je blijft na het lezen van de tekst toch wel met een sterk Big Brothergevoel zitten.

Brexit: “Het is maar een peiling”

Met nog minder dan drie weken te gaan voor het Brexit-referendum, volgen de peilingen in Groot-Brittannië mekaar in snel tempo op. Af en toe staat “Leave” (voor Brexit) op kop, iets vaker is het “Remain” (tegen Brexit) met net een grotere voorsprong. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand met de Brexit-peilingen, wat de waarde van die peilingen sterk relativeert. En met hen meteen alle andere peilingen.

Een tijdje geleden werd door experts immers opgemerkt dat telefonische peilingen resultaten opleverden die systematisch een paar procentjes meer aan het Remain-kamp toekennen dan de internetpeilingen. Sindsdien werden er al enkele zogenaamde “tweelingpeilingen” uitgevoerd, waarbij een peilingsbureau zowel telefonisch als via internet een peiling afnam, om de resultaten met mekaar te kunnen vergelijken. Wat bleek? Die tweelingpeilingen bevestigden het fenomeen. Het ligt echt niet aan de peilingsbureaus die ofwel telefonisch ofwel via internet peilingen afnemen, neen, ligt wel degelijk aan de methode, zelfs als hetzelfde peilingbureau beide metingen uitvoert.

Maakt het medium op zich het verschil? Hebben sommige voorstanders van een Brexit enige schroom om over de telefoon aan een wildvreemde hun mening te vertellen? Of zijn de Brexit-fans online net iets enthousiaster om hun mening kenbaar te maken dan de voorstanders van Brits EU-lidmaatschap? Gevolg is dat de peilingresultaten op zich minder en minder waard zijn, en bijna verworden zijn tot een academische oefening over wat er nu precies aan de hand is.

Zelfde peiling: zowel meerderheid voor als tegen!

Nog straffer is echter wat er op 3 juni gebeurde met een peiling besteld door The Observer, en uitgevoerd door Opinium Research. De internetpeiling gaf een relatieve meerderheid van 43 procent voorstanders van de Brexit tegenover een relatieve minderheid van 40 procent tegenstanders, met 16 procent kiezers die nog niet wisten wat ze gingen stemmen. Toch volgens opdrachtgever The Observer. Volgens het peilingsbureau Opinium Research zelf gaf de peiling een relatieve meerderheid van 43 procent tegenstanders van de Brexit, tegenover een relatieve minderheid van 41 procent tegenstanders. Het verschil tussen de twee resultaten? Een verbeterde wegingsmethode; toch volgens Opinium Research.

Daarmee blijkt één en dezelfde peiling zowel een meerderheid voor Brexit als een meerderheid tegen Brexit aan te tonen. Knoop daar maar eens een touw aan vast. Het is in ieder geval goed dit geval in het achterhoofd te houden wanneer onze media nog eens uitpakken met de opzienbarende resultaten van een peiling. Of zou gepruts met peilingen soms een exclusief Brits fenomeen zijn?