çava?

“Weet jij dat de ramadan bezig is?”, vroeg mijn bankgenoot me.

“Ik heb er geen idee van”, zei ik. “Dat komt omdat het me niet ene moer interesseert.”

“Normaal zou ik het ook niet weten”, zei hij. “Want mij interesseert het geen drol.”

“Het laat ons dus Siberisch koud”, lachte ik.

“Het kan mij niet schelen wat zij doen. Maar toevallig weet ik nu toch meer van de ramadan”, ging hij verder.

Tegelijk haalde hij een tijdschrift uit zijn binnenzak en legde het tussen ons in op de bank.

Ik keek ernaar en las luidop de titel: “çava?”

“Dat krijg ik in mijn brievenbus”, zei hij.

“çava? Betekent dat niet, gaat het? Vanwaar komt dit tijdschrift?”, vroeg ik. “Koop jij dat?”

Hij wees onderaan rechts naar een cirkeltje. Daarin stond een grote, groene M, met eronder Christelijke Mutualiteit.”

“Aha!” riep ik. “Jij bent bij CM, de katholieke ziekenkas!”

“Weet jij wat in dit nummer staat?”, vroeg hij.

“Hoe kan ik het weten. Ik ben al heel lang geen lid meer van de christelijke mutualiteit. Vroeger wel, vanaf mijn geboorte. Maar die tijd is lang voorbij.”

“çava? wordt in het arrondissement Antwerpen in alle brievenbussen gestoken waarop geen weigering sticker kleeft”, wist hij.

“Op mijn brievenbus kleeft zo’n sticker”, zei ik.

“Als jij geen lid bent van CM, ben je dan bij een rode ziekenkas?”

“Zie ik eruit als een onnozelaar? Die hebben mij ooit willen broodroven. Maar ik weet nog altijd niet waarom jij hier met dat blad çava? zwaait.”

“Omdat ik, als lid van de CM, verontwaardigd ben. Hier, lees jij het maar eens. Het begint op bladzijde 24. Ik ben nieuwsgierig jouw reactie te zien.”

Ik plooide het tijdschrift open. Over twee bladzijden zag ik een prachtige kleurenfoto van een familie. Vader, moeder en kinderen zaten in een mooie huiskamer op tapijten en kussens. Het was duidelijk te merken dat ze van een origine waren die hier almaar aangroeit. De titel luidde: “Hoe een moslimgezin de ramadan beleeft”. Véél dorst en samenhorig geluk. Daarnaast de tekst: “De ramadan, de islamitische vastentijd, loopt dit jaar van 7 juni tot 6 juli. Een hele maand overdag niet eten, niet drinken en niet aan seks denken. Hoe beleef (en overleef) je dat als moslimgezin in een samenleving die het vasten al lang verleerd is?”

“Awel, wat denk je daarvan?”, vroeg hij. “Blader maar verder. Er komen nog vijf bladzijden met tekst en foto’s.”

“Misschien is dit artikel bedoeld als reclame voor de islam”, veronderstelde ik.

Hij blies. “Meneer, ik ben daar helemaal niet zo blij mee. In mijn straat heb ik met de aanwezige moslims al genoeg mijn handen vol. En nu las ik nog een heel moslimverhaal in het blad van mijn katholieke ziekenkas. De vader van die familie, Wafa, vertelt hoe hij zijn ramadan beleeft.”

“Zo kom je wat aan de weet over de levenswijze van uw buren.”

“Inderdaad, meneer. Ik weet nu dat ze een moeilijke nachtrust hebben. Om 4.30 uur opstaan om te bidden en daarna weer in bed kruipen tot 7 uur. Zonder ontbijt naar het werk. Dan wachten tot 21.30 uur, want dan pas mogen ze eten en drinken, veel en flink. Onderaan de bladzijde staan de regels van de ramadan.”

“Dat is toch interessant om weten”, veronderstelde ik.

Meneer, Wafa mag niet kijken naar het andere geslacht. Hij mag een maand niet drinken en niet roken van zonsopgang tot zonsondergang. Moet dat in het blaadje staan van de katholieke ziekenkas?”

“Het moet niet, maar zo weet je er toch wat meer van.”

“In welke ziekenkas ben jij?”, wilde hij weten.

“Ik ging al jaren geleden over van CM naar het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds. Ik zie er soms ook moslims als lid. Mij om het even, de service daar is prima. Maar de dag dat ze de islam zouden aanprijzen, ben ik weg. Maar daar bestaat geen gevaar voor.”

TdW