Oeps, foutje! Ik schreef vorige week dat Charles Aznavour een tits droeg. Dat was echter Maurice Chevalier. En wie tijdens het tellen een bolhoed zag, was alle punten kwijt. En nu naar de regen.

Er hingen donkere wolken boven de Schelde. Ik vroeg me af hoelang ik kon blijven zitten vooraleer ik door een fikse regenbui op de loop moest gaan. De dame die naast me even kwam uitblazen van haar wandeling, had een grote paraplu bij zich.

Ik wees ernaar en vroeg: “Ben jij lid van de Socialistische Vooruitziende Vrouwen?”

“Zie ik eruit als een socialist?”, vroeg ze boos.

“Duizendmaal mijn excuses”, zei ik. “Ik bedoelde het anders. Jij hebt een paraplu bij die je hoogstwaarschijnlijk nodig zult hebben. Dat is vooruitzien, wat ik niet deed. Toen ik thuis vertrok, heb ik niet geluisterd naar mijn vrouw om een paraplu mee te nemen.”

“Mannen…”, glimlachte ze. “Als we van het terras moeten vluchten, mag je mee onder de mijne.”

“Er zijn nog goede mensen in de wereld”, dankte ik. “We hebben dit jaar al goed ons part gehad. Wie weet wat ons nog te wachten staat. Vroeger zegden wij altijd als het begon te regenen: goed voor de patatten. Nu echter zullen ze eerder rotten in de grond.”

“Erg ook voor de mensen die een uitstapje willen maken of met vakantie gaan”, zei ze. “Waar is de tijd van weerman Armand Pien? In het weerbericht op tv beloofde hij bijna altijd zon voor het weekend. Daardoor vertrokken meer mensen naar zee.”

“Met het weerbericht heb ik het ook dikwijls moeilijk. Vooral als ze met getallen beginnen om te vergelijken met vroeger, dan denk ik er soms anders over.”

“Het veiligst is altijd en overal een paraplu bijhebben”, zei ze. “Ik heb er verschillende, in grootte en in kleur. Voor iedere verjaardag of voor een andere gelegenheid kreeg ik altijd een nieuwe. Gelukkig maar, want ik vergeet hem dikwijls.”

“Bij het weer dat we de voorbije weken kregen, kon een paraplu niet altijd het nodige soelaas bieden”, lachte ik.

“Weet jij dat er soorten regens bestaan, meneer?”

Ik trok een gezicht waarop te lezen stond dat ik het niet wist, en ik vroeg: “Natte en droge zeker?”

Ze deed of ze het niet had gehoord en zei: “Er is stuwingsregen, stijgingsregen en frontale regen.”

“Klinkt mooi.”

“Frontale regen krijgt men als koude en warme lucht botsen. Stuwingsregen ontstaat als de lucht tegen een berg wordt opgestuwd.”

“Daar moeten we hier niet bang voor zijn”, wist ik.

“Stijgingsregens ontstaan alleen in de tropen, door de sterke verdamping. Hier bij ons hebben we meestal frontale regens.”

“Het is allemaal mooi en leerrijk wat je vertelt, mevrouw. Ik krijg de indruk dat jij van de regen houdt.”

“Hij is onontbeerlijk. En daarmee is alles gezegd.”

“Vooral als je de voorbije weken de vele overstromingen hebt gezien.” Er klonk een duidelijk hoorbaar sarcasme in mijn stem.

“De natuur moet haar gang gaan en dat zint ons misschien niet altijd.”

“Zeker niet als dat regenwater de straten in kleine rivieren verandert”, gromde ik.

Ze keek verrast op door de toon in mijn stem.

“Mijn vrouw en ik hebben midden in de nacht vier uren lang in de kelder staan pompen, om te beletten dat het water niet hoger zou stijgen. Het gevaar bestond dat de brander van de gasketel stuk zou gaan. Spreek mij er niet van.”

Om het goed te maken zei ze: “Er bestaan mooie liedjes over de regen.” Zachtjes begon ze te neuriën: “Regendroppen die aan het venster kloppen, geloof me vrij, ‘t is als een groet voor mij.”

“Als het regende, zongen wij bij de scouts: geen regen kan ons deren, geen stormen of geweld… Telkens als ik nu donkere wolken zie, denk ik aan onze kelder en wat daar allemaal staat.”

“Toch is regen een noodzaak”, zei ze. “Zonder regen kunnen we niet leven.”

“En zonder regen konden we niet pompen”, vulde ik aan.

Plotseling vielen er dikke regendruppels.

De vrouw greep haar paraplu, opende hem en repte zich weg van het terras zonder naar mij om te kijken.

Drijfnat kwam ik thuis. Gelukkig moesten we niet pompen.

TdW