Bekeken over een periode van decennia, is de taalwetgeving in Brussel het lachertje van de hele federalisering van dit land. Alle intenties ten spijt, blijft de afstand tussen theorie en praktijk gigantisch groot. Wanneer de Vlaams-nationale fracties in het Brussels parlement reageren tegen de afschaffing van een controle-instrument, hebben ze een punt. Maar wordt het niet hoog tijd dit dossier naar een hoger niveau te tillen? Zeker nu één van die fracties in de federale regering zit.

Twee persberichten, éénzelfde boodschap, bovendien gekenmerkt door een gelijkaardige teneur van verontwaardiging. Haast simultaan werden door de VB- en N-VA-fractie in het Brussels parlement een communiqué uitgestuurd. Wat was de reden van hun ongenoegen? We trachten het zo eenvoudig mogelijk uit te leggen. Sinds jaar en dag is de toepassing van de taalwetgeving in Brussel een pijnpunt. Waar de dingen er op papier nog keurig uitzien, loopt het met de naleving van de regels grondig mis. Er is een vicegouverneur (voormalig kabinetschef van Brigitte Grouwels, en dus met CD&V-signatuur) die zich met niets anders dan het toezicht op de taalwetgeving inlaat, maar deze overigens erg minzame man staat machteloos wanneer blijkt dat zijn schorsing niet door de bevoegde ministers bekrachtigd wordt en dus dode letter blijft. De afgelopen tien jaar werd geen enkel schorsingsdossier in een vernietiging omgezet, benadrukt oude rot Dominiek Lootens (VB). Bovendien corrigeerde slechts in 0,2 procent van de gevallen de gemeenten zichzelf in de zaken waarbij ze in de fout gingen. Een lachertje dus, maar dat is het relatief gekende deel van het verhaal.

“Gerust gemoed”

Als toezichthoudende overheid, oefent het Gewest ook de controle uit op de naleving van de taalwetgeving bij de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden. Het Gewest kan dan ook dergelijke onwettige initiatieven van de gemeenten rechtstreeks vernietigen, los nog van de rol die de vicegouverneur in een verder stadium van dit verhaal kan spelen. Het zal u niet verbazen dat dit in de praktijk niet gebeurde, maar het instrument was er wel, met de nadruk op was. Want zie, in het kader van een vereenvoudiging van het ruimere administratieve toezicht schaft men dit instrument gewoon af. Met steun van CD&V, sp.a en Open Vld. Er werd afgelopen vrijdag dan ook een stevig woordje gedebatteerd in het parlement.

“Er is nog een verschil tussen niets doen met een bevoegdheid en effectief een bevoegdheid afstoten. (…) Brussel is de hoofdstad die tweetalig zou moeten zijn. De tweetaligheid, of u dat wilt of niet, is uw verantwoordelijkheid”, liet Liesbet Dhaene (N-VA) zich ontvallen. Ach, zo’n vaart loopt het allemaal niet, klonk het sussend bij de meerderheid. De taalwetgeving is federaal, van openbare orde, enzovoort, enzoverder. Wat een storm in een glas water, toch? Paul Delva (CD&V) stemde naar eigen zeggen “met een gerust gemoed”, precies zoals het een tsjeev betaamt dus.

Federale verantwoordelijkheid

Uiteraard betreft het hier een symbool, maar die heeft natuurlijk ook belang. Eigenlijk is die taalwetgeving in Brussel het lachertje van het Belgisch federalisme. Of hoe afspraken en regels systematisch kunnen worden gedwarsboomd door politieke kwade trouw. Terecht verwijt men Jan Jambon (N-VA) zijn houding ten opzichte van het dossier van de politiezones – we komen er spoedig op terug. Kan echter mutatis mutandis dezelfde redenering niet gemaakt worden rond de taalwetgeving, die inderdaad federaal is? Misschien moeten de Brusselse N-VA’ers maar eens intern wat gaan lobbyen om de dingen op een hoger niveau aan te pakken. Op een Brussels niveau wordt het een slag in het water, daarvan zijn de voorbeelden legio.

KNIN.