Adolf Rambold is één van mijn helden. Wie zegt u? Nooit van gehoord? Toch is de kans groot dat u dagelijks zijn uitvinding gebruikt: het moderne theezakje.

Geniaal in zijn eenvoud

Ik heb het keurig geturfd. Dagelijks verbruiken Maria en ik minstens zeven theezakjes: gewone thee maar ook linde, groene en Marokkaanse munt. Ik herinner me als kind nog het thee-ei van mijn moeder; onpraktisch en je moest veel soorten (dure) thee in huis hebben. En toen arriveerde in de jaren vijftig de uitvinding van de Duitser Rambold en ze zou ons nooit meer verlaten. Hij was niet de eerste die aan een theezakje dacht. Dat bestond al sinds 1904. Een Amerikaanse theehandelaar verzond zijn producten in kleine zijden zakjes met allemaal hetzelfde gewicht, en hij ontdekte tot zijn verrassing dat cliënten dachten dat ze die zakjes in heet water moesten onderdompelen. Die vergissing werd vlug opgepikt en weldra begonnen overal bedrijfsleiders naar gemakkelijke en goedkope zakjes te zoeken. Probleem was het gebruikte materiaal en de lijm om het zakje te sluiten, want die gaven een bijsmaakje. De theedrinkers vertelden elkaar dat die slechte smaak veroorzaakt werd door de minderwaardige kwaliteit van de gebruikte thee of zelfs van de afval van theeblaadjes; een legende die nog altijd bestaat.

De grote verkoopdoorbraak liet nog even op zich wachten, want thee wegen en in zakjes doen, kostte veel arbeidsuren. En toen verscheen de eerste goed bruikbare thee-inpakmachine op de markt. Het was een uitvinding van een 29-jarige Duitse werktuigbouwer die geen ingenieursdiploma bezat, maar wel veel praktisch inzicht. Adolf Rambold was gefascineerd door thee en zijn machine kon 35 zakjes per minuut produceren. De Duitser bleef verder experimenteren en in 1949 kwam hij met een klapper op de markt: een nieuwe machine die 160 zakjes per minuut vulde, maar de echte revolutie zat in het zakje dat hij ontwierp. Hij produceerde een zakje in papier van 14 centimeter en vouwde het met een knikje in het midden zodat er twee kamertjes met tee waren en sloot alles met een nietje. Het was geniaal in zijn eenvoud en één van de grote oorzaken dat de hele wereld geleidelijk het systeem oppikte. Het zakje werd gemaakt van manillahennep: licht, sterk en zeer goed bestand tegen heet water. Rambold nam een patent en naar verluidt werd hij schatrijk, al verdiende hij nauwelijks een centiem per zakje. Het bedrijf van Rambold bestaat nog altijd. Het produceert 10 miljoen zakjes per jaar en is één van de vele spelers op een markt die jaarlijks miljarden zakjes gevuld met alle mogelijke theesoorten verhandelt.

De gevolgen van een Kaffeeklatsch

Koffie komt hier thuis maar op tafel als er gasten zijn. Natuurlijk gebruiken we dan een andere Duitse uitvinding die nog altijd de naam van de uitvindster draagt: Melitta Bentz. Ongeveer op het moment dat het eerste theezakje verscheen, hield Melitta geregeld een Kaffeeklatsch in Dresden in 1908. De koffie was lekker tot het tijd was voor die laatste slok, want die was gemengd met de vieze drab die achterbleef in de kopjes. Frau Bentz hamerde gaatjes in een conservenblik, legde daar een cirkel uit een vloeiblad van haar zoontje over, dan een laagje koffie, en hop heet water, en geen last meer van koffiedik. Alleen duurde het nogal lang voor de koffie door het vloeiblad liep, en dat blikje was ook niet ideaal. Dus zocht Melitta Bentz geschikter papier en ze verving dat blikje door een messingbeker.

Iedereen was enthousiast over haar idee en in die dynamische vooroorlogse tijden was Duitsland het land van de innovatie, van de betere commerciële ideeën en werd “Made in Germany” een begrip. Vrienden adviseerden Frau Bentz dan ook om een octrooi aan te vragen bij het Kaiserlich Patentamt en voor een som van 73 Pfennig begon ze een bedrijfje in haar woonkamer. Haar man en haar twee zoons steunden haar enthousiast en de verkoop was een succes. Maar toen begon de Eerste Wereldoorlog; de Britten blokkeerden de kusten zodat er geen koffie meer arriveerde. Alle metaal werd gerecycleerd voor de oorlogsindustrie. Na de oorlog herbegon Melitta Bentz, in de jaren twintig, toen de Duitse economie zich langzaam herstelde. In 1930 namen haar zonen de zaak over en ze verbeterden het product. In 1936 ontstond de koffiefilter die we nog altijd gebruiken: een conisch zakje in filterpapier gecombineerd met de bekende geribde filterhouder. En natuurlijk een stapel zakjes in een kartonnen doosje in rood en groen met de handgeschreven naam Melitta als opdruk.

Melitta Benz, inmiddels 63, bekommerde zich vooral over het sociale imago van haar bedrijf. Een baan bij Melitta (inmiddels van Dresden naar Westfalen verhuisd) was een lot uit de loterij: vijfdagenweek, betaalde vakantie, kerstbonus en een Melitta-fonds dat personeel in nood hielp. Een nieuwe oorlog gooide roet in de koffiefilters. Weer een Britse blokkade en een fabriek die opnieuw voor de oorlogsindustrie moest werken. Na de oorlog namen de geallieerden de fabriek in beslag om er hun administratie te vestigen, maar in 1948 herstartte de productie van koffiefilters. Melitta Bentz stierf 77 jaar oud in 1950; ze maakte nog mee dat het bedrijf weer bloeide. Bij Melitta werken nu 3.300 mensen en nog altijd wordt het bedrijf geleid door Bentzen: kleinzonen van de dame die zo graag koffie dronk met haar vriendinnen.

Miniaturisatie

En dan is het tijd voor een bekentenis. Het mag niet, het is een schande en ik doe het toch: een half kopje lauwe thee of koffie kort in de magnetron zetten om te verhitten. Ik weet nog perfect waar en wanneer ik dat ding voor de eerste keer zag. In 1990 trok ik naar New York voor een exclusief interview met tenor Placido Domingo. Bij mijn terugkeer monteerde ik bij Videohouse en tussen de middag nam ik genoegen met een schoteltje spaghetti, op te warmen in de magnetron die iedereen een microgolfoven noemde. “Vijf à tien minuten?”, vroeg ik naïef.

Ik had er geen idee van dat het ding exact vijftig jaar oud was. Oorspronkelijk was het een buis waarin elektromagnetische straling werd opgewekt en met behulp van een magnetron produceerden de Britten kortegolfradar om laagvliegende Duitse vliegtuigen te traceren. De Amerikaan Percy Spencer zag de kookmogelijkheden en hij maakte er een apparaat van dat aanvankelijk de omvang van een ijskast had, even duur was als een gezinsautootje en alleen geschikt als oven voor passagiersschepen, hospitalen of universitaire campussen. Met dank aan de ruimtevaarttechnologie begon de miniaturisatie van veel nu alledaagse producten.

Eerst in de jaren zeventig kreeg de magnetron hanteerbare afmetingen en dan nog duurde het tot einde de jaren tachtig vooraleer het toestel betaalbaar werd, om in de jaren negentig in iedere Vlaamse keuken te verschijnen. Tweeverdieners die tot uitputting toe iedere dag de kindjes naar weer een andere vereniging rijden of de vele éénpersoonsgezinnen schakelden massaal over op kant-en-klaarmaaltijden en kunnen gemakkelijker een partner missen dan hun magnetron. En uiteraard was zo iets nieuws weer rijp voor allerlei legenden. Voedsel zou al zijn voedzame eigenschappen verliezen en – het ergste van allemaal – mensen die het aten vreselijke ziektes zoals bloedkanker bezorgen. Daar is niets van aan. Het leven zou minder comfortabel zijn zonder het theezakje, de koffiefilter en de magnetron.

Jan Neckers