Hoeder der verworpenen

Mijnheer de alarmkreetslaker,

Na de Tweede Wereldoorlog, in de gouden jaren, rezen in tal van steden en gemeenten sociale woonwijken als paddenstoelen uit de grond. De samenleving had geld genoeg om de middenklasse, vaak met grote gezinnen, een woning te laten kopen tegen schappelijke prijzen of de kleinverdieners een comfortabele huurwoning aan te bieden. Het was één van de grote sociale projecten waarmee de beleidsmakers konden uitpakken, tot grote vreugde en tevredenheid van zoveel ‘kleine’, gewone Vlamingen. Er ontstond in vele van die wijken een intensief sociaal leven, vaak ook zelfs een parochiewerking en ook sport- en culturele verenigingen. Wonen in een sociale wijk was de normaalste zaak van de wereld en niemand voelde zich uitgesloten. Integendeel.

In de loop der jaren veranderde de bevolkingssamenstelling van die sociale wijken geleidelijk aan. Na het verdwijnen van de eerste generaties, werden de leeggekomen of de nieuw bijgebouwde woningen bevolkt met een ander publiek. De (massa)immigratie leidde ertoe dat het sociale woningbeleid anders werd aangepakt omdat de vaak minder vermogende nieuwkomers kwamen aankloppen bij de sociale huisvestingsmaatschappijen en de overheden. De Vlaamse volkswijken werden meer gekleurd, en mensen van heinde en verre werden meer dan eens voorgeschoven ten nadele van eigen mensen die al zo lang op de wachtlijsten stonden. Dat creëerde vanzelfsprekend een berg frustraties en helaas ook niet altijd even beleefde opmerkingen en veroordelingen. Het ‘eigen volk eerst’ was nooit veraf.

Omdat het zich aanpassen aan een nieuwe samenleving vereist – daar is zowat iedereen het over eens – dat men zich de taal van zijn nieuwe woonplaats eigen maakt, klonk dan ook steeds sterker de roep om van de nieuwkomers te eisen dat zij in Vlaanderen zich zouden engageren om Nederlands te leren. In eerste instantie zonder resultaatsverbintenis. Het verklaren van de wil om dat te doen was voldoende, maar de taalbarrière bleef. Daarom dat de Vlaamse regering nu van ‘taalbereidheidsvereiste’ overschakelt naar ‘taalkennisvereiste’. Zeer logisch, want wie hier wil genieten van onze sociale voordelen en te kennen geeft hier te willen blijven, leert best onze taal en mag dat na verloop van tijd ook aantonen, op straffe van een boete. Voor wat hoort wat… Dat is vanzelfsprekend in alle landen. Waarom dan ook hier niet?!

En dan komen de groene en rode duivels uit het doosje gesprongen, met u op kop. Gij begint het obligate en haast voorspelbare deuntje van antidiscriminatie te zingen, en gij slaakt alarmkreten dat deze maatregel botst op de grenzen van de antidiscriminatiewetgeving.

Joris, gij moet eens afdalen uit uw ivoren toren, en als dik betaalde burger moet gij u eens begeven tussen het volk dat gij zegt te willen vertegenwoordigen en dat in de sociale woonwijken leeft. Gij zult daar meemaken dat velen na een generatie en na vele jaren verblijf hier nog steeds geen Nederlands spreken en alle moeite hebben om met onze overheden te communiceren. En dat zorgt ook voor sociaal isolement, want de autochtone bevolking ziet hen niet opdagen in hun sociaal leven en in de verenigingen. Integendeel.

De maatregel van Liesbeth Homans, gesteund door de Vlaamse regering komt dan ook niets te vroeg. Duizenden Vlamingen die ooit uitweken naar ‘den vreemde’ zijn hun taal hartstochtelijke blijven koesteren in hun familiale omgang en met landgenoten ginder en hier. Daar is absoluut niks mis mee. Maar tegelijk leerden zij de taal van het gastvrije gastland om zich beter te integreren, omdat zij wisten dat hun kinderen daar gingen blijven om hun leven op te bouwen. Het is dan ook niet abnormaal dat wij eenzelfde houding van onze gasten vragen.

Het linkse gejank over discriminatie is dan ook het geluid van een afgezaagde grijsgedraaide plaat die alle logica en redelijkheid versmacht. Een Vlaams staatsman riep ooit: “Zet die ploat af!” Meer moet dat niet zijn. Open uw ogen, Joris, en laat de groene kikkers kwaken.

‘t Pallieterke