Hebt u vorige week even gekeken naar beelden van de plechtigheden ter herdenking van de 100ste verjaardag van de slachtpartij aan de Somme?

Nu beter dan toen?

Kreeg u ook een misselijk gevoel toen u die verwaten koppen van politici zag, en de schijnheilige toespraken hoorde? De impliciete boodschap was, dat de leiders honderd jaar geleden idioten waren. Daar zaten wel de imbecielen die op korte tijd twee miljoen gelukszoekers die niets kennen, en niets kunnen, Europa binnenlieten; gelukszoekers die de sociale zekerheid ondergraven en een verachtelijke veertienhonderd jaar oude misdadigersideologie aanhangen. Daar zaten de snullen die van Irak, Syrië en Libië knettergekke moorddadige anarchieën maakten. Snullen die weigeren de grenzen te verdedigen en oorlogsschepen inzetten als reddingsboten, zodat criminele mensensmokkelaars op dit ogenblik meer binnenrijven dan Zuid-Amerikaanse drugsbaronnen.

Zal men over honderd jaar gunstiger oordelen over deze laffe bende opportunisten dan zijzelf over hun voorgangers die het bloedbad van de Somme toelieten? Zullen de mensen zich dan ook afvragen hoe dat toch mogelijk was? Juist zoals wij bedenkingen hebben bij het gedrag in 1916 van de politieke en militaire leiders.

Eer en patriotisme

Ja, hoe kon het toch, dat op vier en een halve maand bijna 1 miljoen mannen zwaargewond werden of sneuvelden? Het antwoord kan alleen zijn omdat het een andere tijd was. Geloof de zeveraars zonder historische kennis niet die naïef preken dat mensen altijd en overal alleen maar een rustig leven en het beste voor zichzelf en hun kinderen willen. Andere tijden, dat betekent altijd een andere mentaliteit. Wij zijn een maatschappij zonder eer geworden. Een begrip dat we haast nooit meer gebruiken en waar we ook niet meer naar leven. En patriotisme zegt ons zeker niets meer, want dat gevoel is bijvoorbeeld in dit land recht omgekeerd evenredig met het aantal Jupiler- en andere commerciële driekleurige vodden.

Dat was honderd jaar geleden heel anders. Denk maar aan de vele Vlamingen die in augustus 1914 zo dom waren vrijwillig dienst te nemen in het leger. En dat was niets vergeleken bij het Verenigd Koninkrijk waar geen dienstplicht bestond. Het kleine Britse beroepsleger was na de eerste maanden van de oorlog zo uitgedund dat alleen nog een beroep op vrijwilligers mogelijk was. Binnen achttien maanden boden zich 2 miljoen Britten aan. Ze deden dat dikwijls in groep: jongens uit een zelfde wijk of dorp, vrienden uit een gezelligheidsvereniging, een koor of een voetbalclub. Ze kregen trouwens de belofte dat ze in hetzelfde regiment zouden dienen. Dikwijls wou de een niet onderdoen voor de ander, en in veel gevallen logen 16- of 17-jarigen dat ze 18 waren en dus oud genoeg om te dienen.

Eer was zo belangrijk dat velen die er niet gerust op waren zich toch aanboden om geen lafaard genoemd te worden. Daarenboven geloofden veel Britten, zelfs uit de arme milieus, dat het Verenigd Koninkrijk een hemel op aarde was en dat het Empire het waard was om verdedigd te worden. Maar zelfs uit de blanke dominions als Canada, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland stroomden de mannen toe, want de band met Londen was nog nauw. Alleen de Frans-Canadezen en een flink deel van de Afrikaners hielden zich gedeisd.

Kipling en compagnie

Diezelfde combinatie van patriotisme en eer veroorzaakte dezelfde gevolgen bij de hogere klasse in het Verenigd Koninkrijk. “It was not done” om geen dienst te nemen als officier. Adellijke of rijke families hielden elkaar nauwlettend in het oog; er werd schande gesproken als een of andere telg wat te lang aarzelde en maatschappelijk ostracisme op de loer lag. Mannen die soms al de 40 gepasseerd waren en medisch ongeschikt werden verklaard, legden zich niet neer bij dat vonnis. Vaders deden hun uiterste best om zwakke zoontjes toch in uniform te krijgen. Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling (nu vooral bekend van Jungle Book) trok aan alle mogelijke touwtjes om zijn tweemaal afgekeurde enige (bijziende) zoon toch te laten dienen. Met succes, al betekende het de dood van John Kipling in Artesië, want het was niet vanzelfsprekend zoals in onze eerloze tijden dat zoontjes een veilige baan bij de staf kregen op honderden kilometers van het front.

Dat eergevoel zou de Britten zelfs twintig jaar na de wapenstilstand van 1918 nog parten spelen. Eerste minister Chamberlain sloot in 1938 het Verdrag van München met Hitler. Zijn belangrijkste motief was natuurlijk het vermijden van een nieuwe oorlog. Hij had als lid van de politieke dynastie van de Chamberlains in zijn eigen familie en in zijn kennissenkring meegemaakt hoe tussen 1914 en 1918 de hogere klasse in het Verenigd Koninkrijk gedecimeerd was, en wilde geen nieuwe hecatombe.

Buitenkans op promotie

Blijft dan wel de vraag hoe het kwam dat het leven van bijna 1 miljoen mannen en miljoenen familieleden zo gemakkelijk verwoest werd? Diezelfde hogere klasse had het ook in de politiek voor het zeggen en nam het niet nauw met de levens van de ondergeschikten, zeker niet in een klassenmaatschappij als het Verenigd Koninkrijk. In 1914 had 40 procent van de Britse mannen (en alle vrouwen) nog altijd geen stemrecht. De Lords zagen niet op een paar levens. Dat kon des te gemakkelijker omdat de grote massa van de soldaten bijzonder gedisciplineerd was en ondanks alle geklaag braaf en gedisciplineerd zinloze bevelen uitvoerde.

Aangezien in een oorlog de waarheid altijd als eerste sneuvelt, was de perscensuur zeer streng. De media zweepten het patriotisme op naar ongeziene hoogte, en geen journalist riskeerde zijn baan door de in de kranten als helden gekwalificeerde bevelhebbers als onbekwamen af te schilderen. De uitdrukking “lions led by donkeys” kwam eerst na de oorlog in zwang toen het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor vrouwen in 1928) werd ingevoerd. Tenslotte was de oorlog een buitenkansje voor de beroepsofficieren. De risico’s waren hoog, maar de beloningen ook. Dit was de kans voor eeuwige roem en vlugge promotie. In juli 1914 vroeg kolonel Philippe Pétain, baas over 1.200 soldaten, zijn pensioen aan. De oorlog verhinderde het en vier jaar later was hij maarschalk en voerde hij miljoenen soldaten aan.

Rule Britannia

De gruwelijke slag aan de Somme werd einde 1915 uitgedacht door de toenmalige twee opperbevelhebbers Douglas Haig (VK) en Joseph Joffre (Frankrijk). Met een gezamenlijk offensief zouden zij door de Duitse linies breken over een front van vijftig kilometer, de oorlog zegevierend beëindigen en de eigen geschonden reputatie herstellen. De Britten leverden een derde en de Fransen twee derde van het vereiste miljoen soldaten. Maar in februari 1916 staken de Duitsers daar een stokje voor. Ze begonnen een offensief in Verdun en de Fransen moesten in allerijl twintig divisies naar het front in het Oost-Frankrijk zenden om een Duitse doorbraak te verhinderen.

Haig ging graag akkoord om de plaats van de Fransen in te nemen. Het was een extra aansporing voor de Britse regering om in maart 1916 voor de eerste keer in de geschiedenis de dienstplicht in te voeren. Met een uitzondering voor Noord-Ierland, want men wilde de Iersgezinden geen militaire training geven die ze na de oorlog tegen de Britsgezinden van Ulster konden gebruiken. Haig besloot daarenboven dat het maar eens moest gedaan zijn met het typisch Britse amateurisme en improvisatievermogen in oorlogen en hij liet een draaiboek uitwerken dat het kleinste detail regelde. Alleen was er niets voorzien bij een mislukking.

(Vervolg volgende week)

Jan Neckers