Op de eerste dag van de slachting aan de Somme, tussen 7u34 en 7u45, sneuvelen 3.000 soldaten per minuut, 50 per seconde. Dat is het begin van een bloedbad dat meer mensen het leven kost dan de moordpartij bij Verdun, die tweemaal zo lang duurt.

100 bladzijden

De Britten en de Fransen willen in 1916 met een definitieve doorbraak van het Duitse front een einde aan de oorlog maken. De Britten verkiezen een aanval in Vlaanderen, maar de Fransen eisen een offensief aan de Somme waar de geallieerde legers aaneensluiten. Aanvankelijk leveren de Fransen twee derde van de strijdmacht, maar het Duitse offensief bij Verdun noodzaakt hen twintig divisies naar het oosten te verplaatsen. De Britten gaan akkoord om 600.000 van de voorziene 1 miljoen soldaten te leveren. De Brit Douglas Haig wordt de opperbevelhebber en hij is vastbesloten om met de Britse gewoonten van improvisatie en soms puur amateurisme te breken. Zeven maanden lang laat hij een gedetailleerd aanvalsplan van 100 bladzijden opstellen. Alles is gepland; er is geen speling voor eigengereide kolonels of generaals die op hun eentje roem willen oogsten met hun regiment of divisie, want de doorbraak moet gelijktijdig en gelijkmatig gebeuren, over een front van 50 kilometer. Zorgvuldig bouwt Haig zijn strijdkrachten op, tot het miljoen vereiste soldaten na maanden voorbereiding aanwezig is. De Brit is ervan overtuigd dat hij door God zelf gekozen is om de Duitsers te verslaan. Hij is een bijzonder gelovig man die denkt dat hij uitverkoren is en die geen tegenspraak duldt. Hij omringt zich met vleiers en wil alleen de informatie horen die hem goed uitkomt. Haig, geboren in 1861, is opgeleid als cavalerieofficier. Hij laat 400.000 paarden opdraven die na de doorbraak de vluchtende Duitsers zullen opjagen, voor zich uit. Dat denkt hij tenminste. De Britten en Fransen weten dat de Duitsers zich vrij comfortabel in hun loopgraven genesteld hebben. De grond langs de Somme bestaat uit krijtlagen die gemakkelijk uit te graven zijn. Sommige loopgraven zijn zelfs 15 meter diep en hebben elektrische verlichting. Enkele Duitse officieren hebben zelfs hun piano geïnstalleerd. Maar dat wordt allemaal niet ernstig genomen door de geallieerden, die vooral zien dat weinig hagen en bossen de opmars kunnen stuiten.

Prijsschieten

Op 24 juni begint een immens bombardement op de Duitse linies. Dagenlang schieten 3.000 kanonnen dag en nacht 10 miljoen obussen op de Duitse loopgraven. Maar de kwaliteit van de Britse obussen is ondermaats; een derde van de munitie ontploft niet. (Ieder jaar worden nog reusachtige hoeveelheden opgegraven.) De geallieerden beschikken niet over echt grote kanonnen en ze hebben ook te weinig mortieren. Feitelijk veroorzaken ze zelfs niet zoveel schade, tenzij een enorme verwoesting van het landschap, die nog altijd te merken is aan allerlei kunstmatige poelen en meertjes. De Britten graven ook tunnels uit tot onder de Duitse linies en stoppen die vol met explosieven. Vijf dagen duurt het bombardement, maar door het hondenweer kan de voorziene aanval niet starten op 29 juni. Dus schieten Britten en Fransen maar verder. Psychologisch is het een hel voor de Duitsers. Her en der wordt een Duitser zelfs letterlijk gek. De eerste juli om 6u30 lijkt het wel alsof de wereld vergaat, tot de kanonnen zwijgen om 7u28. De 500.000 Duitse soldaten aan het front weten dat het een kwestie van minuten wordt vooraleer de vijand verschijnt. Vooral de dikwijls nog onervaren Britten zijn ervan overtuigd dat er nog nauwelijks een Duitser overblijft. De Fransen zijn wel veteranen en zij weten dat hen een verschrikking wacht. Om 7u30 klinken dan de fluitjes en de geallieerden verlaten hun loopgraven. De Duitse verdedigers geloven heel even hun ogen niet. De Britten marcheren gedisciplineerd in oneindig lange rijen naast elkaar. Ze dragen een rugzak van 35 kilogram met munitie en voedsel voor drie dagen. Niemand rent, niemand laat zich vallen om kogels te ontwijken en rent dan weer eventjes verder zoals het gezond verstand voorschrijft. Dat wordt dus prijsschieten voor de Duitsers. De mitrailleurs (zes kogels per seconde) maaien rij na rij neer. Op de zwakke punten van het Duitse front bereiken sommige Britten toch de Duitse loopgraven, en ontdekken dan dat de obussen wel veel grond hebben omgeploegd maar de prikkeldraad niet vernietigd hebben. De Duitse tegenaanvallen maken vlug een einde aan een paar Britse succesjes. De weinige overlevenden vluchten en botsen op de mannen van de tweede aanvalsgolf, die eindelijk begrijpen wat hen wacht. Maar ze stappen verder, want door het lawaai en door de rook weet niemand van het opperbevel of zelfs van de regimentscommandanten wat er op het slagveld gebeurt. Op het einde van de eerste dag hebben de Britten 60.000 mannen verloren; 23.000 zijn gesneuveld en de rest is gewond. Velen onder hen creperen in het niemandsland want er wordt aan beide zijden op de ambulanciers geschoten. Volgens het plan moeten de eerste en de tweede loopgraaf al veroverd zijn, maar in realiteit is dat alleen het geval in het oosten van de opmars waar de Fransen en een klein deel van de Britten hun doelen bereiken. De Fransen doen dat wel, al rennend en vallend en weer rennend. Zij breken door de Duitse linies maar mogen niet verder, want ze moeten volgens de bevelen wachten tot de Britten ten westen van hen ook succes boeken. Dat gebeurt niet. Toch is opperbevelhebber Haig niet ontevreden en hij blijft ervan overtuigd dat zijn plan niet kan falen. Hij weet dat er zo’n 100.000 slachtoffers zijn over het hele front, maar mits nog een inspanning gedurende twee dagen komt alles wel goed. Het lukt niet, want de Duitsers zijn ondanks ook al zware verliezen niet te verslaan. Toch denkt Haig er niet aan het offensief te stoppen. De zware perscensuur verhindert dat men in het Verenigd Koninkrijk de omvang van de tragedie kent, dus kan hij 142 dagen blijven aanvallen; zij het niet meer op de waanzinnige manier van de eerste dag. De Britse regering probeert tweemaal het offensief te doen stoppen maar Haig weigert resoluut, en het kabinet slaagt er niet in een nieuwe opperbevelhebber vinden.

Maarschalk

De Fransen zien die gruwelijke verliezen met lede ogen aan. Zij zijn meer geïnteresseerd in de Slag bij Verdun, waar hun leger (en het Duitse) doodbloedt en waar muiterijen het moreel aantasten, tot Philippe Pétain de Franse verliezen inperkt. Toch laten de Fransen Haig niet vallen: volgens de Brit omdat hij zijn Franse evenknie Joffre met cognac omkoopt. In de herfst gaat het offensief nog altijd zij het niet meer op dezelfde schaal verder. De regen verandert de frontlijnen in slijkvelden. Aan de Somme wordt verder gevochten met alle mogelijke oude en nieuwe wapens: gas, vlammenwerpers en tanks. In november begrijpt Haig eindelijk de zinloosheid, en op 15 november stopt het offensief. Niemand spreekt over een nederlaag maar legt de klemtoon op de “indirecte” zege, want zonder de Somme zouden de Duitsers misschien doorgebroken zijn in Verdun. Misschien! Begin 1917 trekken de Duitsers zich terug uit hun vooruitgeschoven loopgraven aan de Somme, om nieuwe en kortere stellingen te betrekken. De Britten mogen van de Duitsers het gebied innemen waarvoor die tevergeefs honderdduizenden soldaten hebben opgeofferd. De Britse bevelhebber Haig en de Franse bevelhebber Joffre worden beloond met de rang van veldmaarschalk.

Jan Neckers