De Vlaamse Volksbeweging wist vorige week de hand te leggen op de jongste geboortecijfers van Kind en Gezin. Deze cijfers zijn zeer boeiend omdat ze een waarheidsgetrouw beeld geven van het taalgebruik van de jonge gezinnen in Vlaanderen. Van elke boreling wordt immers nagegaan welke taal de jonge moeder met haar kind spreekt.

Zo weten we dat bijvoorbeeld in de stad Antwerpen (fusie) minder dan de helft van de borelingen een Nederlandstalige moeder heeft. Toch wordt “in ’t stad” een lichte kentering vastgesteld: in 2013 waren nog amper 41 procent van de jonge moeders Nederlandstalig, in 2015 was dit opnieuw gestegen naar 43 procent, evenveel als in 2010. Is dit een eerste aanwijzing dat meer jonge gezinnen terugkeren naar de stad? Het is nog te vroeg om hieruit conclusies te trekken.

In de Vlaamse Rand rond Brussel gaat het echter steeds verder bergaf. De demografische druk vanuit Brussel is gigantisch groot en het is helemaal niet zo dat de verfransing vandaag vervangen is door internationalisering: beide fenomenen doen zich tegelijkertijd voor en versterken mekaar. Het aandeel Nederlandstalige geboorten in Halle-Vilvoorde zakte vorig jaar naar een dieptepunt van 47 procent (min twee procent in één jaar), terwijl dat van de Franstaligen steeg naar 32 procent en dat van de anderstaligen naar 21 procent. De cijfers zijn vooral schrikbarend wanneer we de evoluties bekijken per gemeente. In de meeste faciliteitengemeenten is de toestand ronduit catastrofaal: in het beste geval (Sint-Genesius-Rode) is nog amper één op acht geboorten Nederlandstalig. In het kleine Drogenbos werden alle records gebroken: daar werd vorig jaar geen enkele Nederlandstalige geboorte opgetekend (nog 13 procent in 2004). Maar ook in gemeenten zonder faciliteiten gaat het steil achteruit. In Beersel, Vilvoorde, Machelen, Zaventem en Overijse waren er vorig jaar meer Franstalige geboorten dan Nederlandstalige. In Sint-Pieters-Leeuw is dat al elf jaar lang het geval. Deze gemeenten zijn dus structureel aan het verfransen.

De Vlaamse regering probeert deze evolutie te bestrijden met homeopathische middelen: er worden volop inburgeringscursussen gegeven en er wordt voorzien in extra omkadering in de scholen. De provincie Vlaams-Brabant bouwt via Vlabinvest betaalbare woningen voor mensen met een lokale band, maar dit gaat om hooguit enkele tientallen woningen (vooral appartementen) per jaar, wat veel te weinig is. Als de Vlaamse regering en de provincie het tij echt willen keren, zouden ze veel meer mensen en middelen moeten vrijmaken voor een massief woonbeleid, dat jaarlijks een paar honderd gezinnen kan overtuigen om in de Vlaamse Rand te blijven wonen. Ze zouden vooral de gemeentebesturen moeten aanzetten om een krachtig en Vlaams woonbeleid te voeren, wat nu veel te weinig gebeurt.

Een uitzondering daarop vormt de gemeente Zemst, die vandaag de vruchten plukt van een verstandig lokaal woonbeleid. Door massaal gronden aan te kopen en op een oordeelkundige wijze vrij te geven aan lokale inwoners, ligt het aandeel Nederlandstalige geboorten er op ruim 87 procent of 5 procent hoger dan in 2004. De lokale bestuurders in de vele andere gemeenten rond Brussel hebben blijkbaar te weinig visie, te weinig centen en/of te weinig moed om zo’n beleid te voeren. Maar het gevolg is wel dat hun gemeente in een razendsnel tempo verbrusselt en ontnederlandst. Wat als er bij de verkiezingen van pakweg 2024 een gewiekste francofoon opstaat in Sint-Pieters-Leeuw of Zaventem die met een meertalige campagne de meerderheid verovert? Hoelang gaat het nog duren vooraleer Vlaanderen beseft dat het morgen te laat kan zijn? Mogen we van Ben Weyts, de minister van de Vlaamse Rand, dringend wat meer ambitie verwachten?

’t Pallieterke

 

[blockquote style=”3″]

Kind en Gezin: de cijfers

De geboortecijfers van Kind en Gezin geven natuurlijk niet alles weer: het gaat enkel om de cijfers van de gezinnen met pasgeboren kinderen en enkel om de taal van de moeder. Wanneer een moeder anderstalig is, betekent dit nog niet dat er thuis helemaal geen Nederlands wordt gesproken. Anderzijds is de evolutie zeer duidelijk en kan ze niet betwist worden: het gaat immers niet om steekproeven, maar om een getrouwe weergave die, althans vanaf 2010, betrekking heeft op de volle 100 procent van de jonge gezinnen.

In Halle-Vilvoorde bedroeg het aandeel van de geboorten bij Nederlandstalige moeders in 2004 nog 58 procent, dat bij Franstalige 25 procent en bij anderstalige 9 procent. Bij 8 procent van de geboorten waren er hierover geen gegevens. Op elf jaar tijd daalde het aandeel van de Nederlandstaligen naar 47 procent (een daling met een vol procent per jaar), terwijl dat van de Franstaligen steeg naar 32 procent en dat van de anderstaligen naar 21 procent. Het aandeel van de Franstaligen steeg vooral de jongste vijf jaar (van 27 naar 32).

In de zes faciliteitengemeenten zien we voor de vergelijkingsperiode 2004-2015 een dramatische daling van het aandeel Nederlandstaligen. In Wemmel en Sint-Genesius-Rode bedroeg het aandeel Nederlandstalige moeders in 2004 nog respectievelijk 27,3 en 26,1 procent. In 2015 was dit meer dan gehalveerd naar nog amper 10,8 en 12,1 procent. Ook in Kraainem (van 12 naar 5) en Linkebeek (van 13 naar 6) stellen we een halvering vast. Alleen in Wezembeek-Oppem (van 18 naar 10) verloopt het iets trager. In het kleine Drogenbos waren er vorig jaar NUL Nederlandstalige geboorten. Het aandeel Franstalige moeders bedroeg 59 procent. Daarnaast wordt er daar in 15 procent van de gezinnen Arabisch of Turks gesproken, in 9 procent Russisch, Pools of Roemeens, in 6 procent Spaans en in 11 procent nog een andere taal. Als dit zo verder gaat, zijn de Nederlandstaligen in Drogenbos over een paar decennia volledig verdwenen.

In de rest van Halle-Vilvoorde zien we tussen 2004 en 2015 de grootste achteruitgang bij de Nederlandstalige moeders in Asse en Lennik (telkens min 25 procent) en vervolgens in Liedekerke (-23 procent) en in Grimbergen (-20 procent). De grootste stijging aan Franstalige kant zien we in Overijse (+ 19 procent) en bij de anderstaligen in Vilvoorde (+22,5 procent), in Grimbergen (+ 16 procent) en in Zaventem (+ 15,5 procent). De situatie is het meest alarmerend in Sint-Pieters-Leeuw, waar al sinds 2004 beduidend meer Franstalige jonge moeders genoteerd worden dan Nederlandstalige, en in Machelen, waar het aandeel Nederlandstalige jonge moeders vooral de jongste jaren fors daalde naar amper 26 procent tegenover 46 procent Franstalige jonge moeders.

De situatie wordt heel leerrijk als we naar de deelgemeenten kijken. In enkele deelgemeenten die erg verstedelijkt zijn en tegen Brussel aanschurken was vorig jaar nog minder dan een vijfde van de jonge moeders Nederlandstalig: in Sint-Stevens-Woluwe (Zaventem) 19,6 procent, in Strombeek-Bever (Grimbergen) 19 procent versus 49 procent Franstalige moeders en in Zellik (Asse) nog amper 18 procent versus 54 procent Franstalige. In Zellik waren er dus driemaal meer Franstalige dan Nederlandstalige geboorten.

Gelukkig is er voor dit bedreigde stukje Vlaanderen een oplossing op komst. De Vlaamse Bouwmeester gaat er zorgen voor nog veel meer hoogbouw. Dan komt het ongetwijfeld allemaal goed.

[/blockquote]