De gevolgen van de Beeldenstorm: de scheiding der Nederlanden, en ruim baan voor de kunst van de contrareformatie die de verwoeste altaren, kapellen, nissen en kerkzuilen in het Zuiden opnieuw opluistert.

De hagenpreken

Na de aanbieding van het smeekschrift der edelen (zie ’t Pallieterke van vorige week) in april 1566 moet de inquisitie even inhouden vanwege landvoogdes Margaretha van Parma. Op slag komen de calvinisten uit de kast. Overal duiken predikers op die meestal buiten de stadswallen grote menigtes toespreken. Die hagenpreken veroveren in korte tijd Vlaanderen, Brabant en Henegouwen, en ten slotte ook Holland. In Gent preekt men aan de stadspoorten. In Antwerpen woont een magistraat een preek bij “in het klein heesterbos van heer Hendrik van Berchem”. De predikant wordt beschermd door een groep gewapende burgers. De magistraat schat het aantal luisteraars op vier- à vijfduizend. Hij schrijft dat de preek in het Waals is, met iemand die vertaalt, plus de belofte dat de volgende zaterdag het Nederlands gebruikt wordt. In Mechelen trekken de inwoners naar de grensgemeenten Bonheiden en Zemst.

Het bericht over de nieuwe verdraagzaamheid bereikt Engeland en Duitsland, waar veel calvinistische ballingen in vluchtelingengemeenten leven. Van alle kanten komen ze terug. Vooral de vroegere ballingen zijn fanatiek. Onder hen is de West-Vlaming Pieter Datheen, die een psalmberijming maakt die honderden jaren in Holland gebruikt wordt. Recent Vlaams-Nederlands vergelijkend tekstonderzoek wijst uit dat hij waarschijnlijk de auteur is van het Wilhelmus (wat Oranjes zoon Maurits niet tegenhoudt om de radicale Datheen een tijd in de gevangenis te stoppen).

“Dulle raesende menschen”

De echte uitbarsting komt in augustus 1566. Augustus is in die tijden altijd een gevaarlijke maand. De oude oogst is opgegeten, de broodprijzen stijgen en de nieuwe oogst is nog niet binnen. Religieuze scherpslijperij kan op sociale problemen geënt worden. Het geweld begint in het door Frans calvinisme aangestoken Westen van Vlaanderen. De voormalige Ieperse mutsenmaker Sebastiaan Matte (“cort ende dick van persoone”) is al een maand een succesrijke prediker die ook voorgaat in “chanteries” (het zingen van protestantse liederen).

Op zaterdag 10 augustus houdt hij een vlammende preek in Steenvoorde voor tweeduizend toehoorders. Twintig onder hen stormen naar het Sint-Laurentiusklooster en slaan alles kort en klein. In een tijd dat men bijna een dag nodig heeft om te paard van Brussel naar Antwerpen te rijden, is het verrassend hoe snel de Beeldenstorm om zich heen grijpt. Op negen dagen tijd worden honderd kerken en kloosters in vijftig dorpen en steden in de Westhoek aangepakt. Alles moet stuk: altaren, altaarstukken, orgels, beelden, liturgische boeken… “Dulle raesende menschen” vertrappen de sacramenten, bestelen en mishandelen priesters, monniken en nonnen, en profiteren ervan om zilveren ciboriën en kelken mee te nemen. Brugge blijft buiten schot omdat daar genoeg troepen zijn om kloosters en kerken te beschermen.

Antwerpen, Gent en Mechelen

Een dag nadat de storm in een deel van Vlaanderen is uitgeraasd, herbegint alles in Antwerpen op dinsdag 20 augustus. Twee dagen tevoren werd er nog ter gelegenheid van de Maria-Hemelvaartprocessie “Maaiken, Maaiken! Dit is uw laatste gang!” geroepen naar het beeld van de zwarte Madonna, maar Oranje is in de stad en hij (nog altijd katholiek) houdt het rustig. Hij vertrekt de maandag, en de dag erna vallen de beeldenstormers kerken en kloosters binnen. De Onze-Lieve-Vrouwkerk is het eerst aan de beurt. De zwarte madonna wordt in stukken gehakt en daarna volgt de rest van het interieur.

De Beeldenstorm is goed georganiseerd en het werk van weinig mensen. Een Engelse ooggetuige meldt dat de vandalen dikwijls uit groepjes van niet meer dan tien of twaalf mensen bestaan, maar hij zegt erbij dat veel mensen als ramptoeristen naar de vernielingen kijken. Om drie uur ‘s nachts is alles voorbij en zijn minstens vijfentwintig kerken getroffen. De dag daarna worden de kerken aangepakt in Lier, Deurne en Hemiksem.

Met twee dagen achterstand beginnen ze er ook in Gent aan. Plaatselijke calvinisten worden geassisteerd door ervaren West-Vlamingen en Antwerpenaars. De daders bieden zich bij de hoogste ambtenaar aan en beweren dat ze een brief met toestemming van het hof bezitten die ze niet tonen en die de hoogbaljuw niet durft vragen. Vervolgens mogen ze rustig hun gang gaan. Binnen vierentwintig uur vernielen ze acht kerken, vijfentwintig kloosters, tien hospitalen en zeven kapellen. Nergens in de Nederlanden krijgen de beeldenstormers zoveel applaus als in Gent, waar de mensen de katholieke kerk associëren met de belangrijkste Gentenaar ooit (Karel V) die de stad een generatie tevoren zwaar strafte. Gelukkig voor ons hebben goede zielen in allerijl Het Lam Gods in veiligheid gebracht in de toren van de Sint-Baafs en de polyptiek wordt niet gevonden. In Gent hebben de kloosters volle wijnkelders en de drank wakkert het enthousiasme nog aan. In het predikherenklooster (van de inquisitieorde) blijft bijna geen steen recht.

De dag daarna moet ook Mechelen eraan geloven. Overal heeft het stadsbestuur tafels met veel drank geplaatst. Nogal wat daders kunnen niet meer recht op hun benen staan om aan de klus te beginnen, en de schade beperkt zich tot enkele kloosters. Het stadsbestuur slaagt erin de groepjes Mechelen uit te sluizen. Als ze terug nuchter zijn, vallen ze wel de vele kloosters buiten de gesloten stadspoorten aan. In Brussel gebeurt er niets, want daar beschikt de landvoogdes over voldoende troepen. Maar vanuit Antwerpen heeft de storm ook Amsterdam, Leiden en Den Haag bereikt.

De repressie

Einde augustus is de razernij voorbij in het Zuiden. De leiders zijn meestal ambachtslieden, uitgetreden priesters, lage edelen of zelfs stadsmagistraten. Het vuile werk wordt gedaan door veelal ongeschoolde mannen, vrouwen en kinderen die dikwijls betaald worden voor hun vernielingen. De storm is een mooi voorwendsel voor de armen om te plunderen, meer zelfs dan te vernietigen. De geest is moeilijk terug in de fles te krijgen, want in Vlaanderen vormen gewezen stormers nog lang bandietenbendes.

Eens de rust wat weergekeerd is, zendt de landvoogdes de hoogste edelen het land in om de repressie te starten. Oranje laat in Antwerpen drie beeldenstormers ophangen. Egmont gaat er met de vuile voeten door in Gent en laat veel daders executeren. Natuurlijk zijn het vooral armoezaaiers die het schavot betreden, terwijl de leiders “redelic ende wel gestelt” de dans ontspringen. Na onderhandelingen krijgen ze zelfs meestal de toestemming om hun godsdienst openlijk te belijden.

Her en der hebben zich calvinisten verenigd in kleine legertjes die niet bereid zijn te ontwapenen. De landvoogdes heeft inmiddels halfbroer Filips op de hoogte gebracht. Hij stuurt geld om troepen te werven, en die maken korte metten met de bosgeuzen.

Begin 1567 is de onrust voorbij, al smeult het hevig onder de oppervlakte. Filips heeft weer eens maanden getreuzeld (maar het duurt 40 tot 50 dagen vooraleer hij nieuws uit de Nederlanden krijgt) en in januari hakt hij de knoop door. Hij zendt Alva, die de Nederlanden goed kent, met een leger om de rebellie de kop in te drukken en die protestantse ziekte uit te roeien. Alva arriveert in augustus 1567 als alles rustig is. Door zijn onbehouwen optreden zorgt hij ervoor dat de onrust in een echte opstand verandert die het einde van de Nederlanden betekent.

Jan Neckers