Deze week is het juist 450 jaar geleden dat de beeldenstorm begon. De gevolgen waren dramatisch: een woedende vorst die Alva naar “de landen van herwaarts over” stuurt en tenslotte de scheiding der Nederlanden.

Kettervervolgingen

Filips, koning van Castilië en Aragon, hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen, Holland, enzovoort, kopieert consequent de politiek van zijn vader. Karel van Gent is tijdens zijn regering geen zegen voor de Nederlanden. Door onverwachte erfenissen en oorlogen is hij de vorst van een ratjetoe aan staten en landen die niets met elkaar te maken hebben en die hij nauwelijks onder de duim kan houden. Zijn Nederlandse origine is hij vergeten, tenzij hij geld nodig heeft voor zijn dynastieke oorlogen met Frankrijk die haaks staan op de belangen van de Nederlanden. Vooral Brabant, Vlaanderen en Henegouwen zijn het slachtoffer van de vele Franse invasies die eindigen in plunderingen, moorden en een wankele economie.

De belastingdruk verdubbelt bijna onder Karels regering; te betalen met verbruiksbelastingen die de gewone mensen treffen, want aan de rijken komt hij niet. Die kunnen hem geld lenen. Karel is een gelovige katholiek en kan niet leven met het idee dat onderdanen er een andere mening op na houden. In Duitsland moet hij als keizer en leenheer toestaan dat de vorsten van de vele Duitse staten zelf kiezen of hun staat(je) luthers wordt of katholiek blijft. Maar in de Nederlanden is hij de “natuurlijke vorst” en in 1523 zet hij al twee augustijnen (een orde waar Luther zelf ooit monnik was) in Antwerpen op de brandstapel.

Zijn “keizerlijke” inquisitie maakt slachtoffers, al wordt ze in veel gevallen gesaboteerd door de stedelijke overheden, die hervormden met rust laten als ze berouw tonen. Vooral de wederdopers, vreedzame protestanten “in de wereld maar niet van de wereld” zijn het slachtoffer van zijn inquisitie omdat zij steevast weigeren hun geloof te herroepen. Zij vormen 80 procent van de slachtoffers van het bloedplakkaat van 1550 (doodstraf voor iedereen die predikt, een protestant huisvest of een ketters boek of pamflet bezit of verspreidt).

Karel doet troonsafstand ten voordele van zijn enige in Castilië geboren zoon, Filips, die lange tijd niet verwachtte dat hij de Nederlanden zou erven. Filips kent geen Nederlands of Frans, blijft vier jaar in de Nederlanden en heeft nog grotere financiële problemen dan zijn vader. In 1557 kondigt hij zelfs een staatsbankroet aan, en twee jaar later vertrekt hij definitief hij naar zijn geboorteland om de Turkse dreiging in de Middellandse Zee te stoppen. Bij zijn vertrek is iedereen nog schijnbaar katholiek. Maar eens de vorst weg is, steekt het calvinisme de kop op en dat is minder passief dan de wederdopers.

Het calvinisme in Vlaanderen

Hoeveel calvinisten zijn er in de Nederlanden? Misschien enkele tienduizenden, maar ze zijn wel uitstekend georganiseerd en bij die gelovigen zijn veel minder arme sloebers. Ambachtslieden, handelaars en lage edelen vormen de ruggengraat van het calvinisme. Het is een jonge protestantse stroming in de Nederlanden, want Karel heeft ze in 1540 bijna vernietigd, met als gevolg een uittocht van calvinisten naar Engeland en Duitsland.

Bij zijn vertrek naar Castilië sluit Filips eerst vrede met Frankrijk. Onmiddellijk nemen de calvinisten contact op met hun broeders die in dat land 2.000 gemeenten tellen en al een beperkte godsdienstvrijheid bezitten. Op korte tijd stijgt het aantal calvinistische gemeenten. Vooral in de streek nabij de Franse grens, tussen Ieper en Sint-Omaars. Maar ook in de rest van Vlaanderen, Brabant en Henegouwen heeft de strenge maar duidelijke leer geleidelijk succes. Predikers reizen rond om de ware leer in privéwoningen te verkondigen. Ze zijn niet meer te lijmen met de hervormingen van het Concilie van Trente (o.a. betere opleiding van priesters) en vertellen dat de katholieke leer afgoderij is. In Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland en Groningen is geen calvinist te bespeuren voor de beeldenstorm.

Maar ook veel katholieken zijn geschokt over de “kettervervolgingen”, al variëren die sterk van stad tot stad. Soms sympathiseren stadbestuurders met het calvinisme, en ook bij de leden van de schutterij (de gewapende burgers) zitten aanhangers, zodat men geen beroep op hen kan doen om relletjes te onderdrukken. Oppervlakkig blijft alles rustig, omdat de vrede de economie bevordert, maar in 1563 begint Filips zijn oorlog met zijn gewezen schoonzus koningin Elizabeth van Engeland.

Prompt zet die de export van de noodzakelijke wol voor de Vlaamse en Brabantse textielnijverheid stop. Gevolg: werkloosheid in de grootste stedelijke bedrijfstak wegens een oorlog waar de Nederlanders niets mee te maken hebben. Nauwelijks een jaar later zijn ook Zweden en Denemarken met elkaar in oorlog, waardoor de Sont gesloten wordt. De Nederlanden kunnen zich niet voeden en wachten tevergeefs op broodgraan uit de Oostzeelanden. Brood, het belangrijkste voedsel, wordt op een paar maanden drie keer duurder. Op de sociale onrust ent zich de politieke en godsdienstige onrust.

“Ce ne sont que des gueux”

De hoogste adel (o.a. Oranje en Egmont) vindt dat die kleine centrale overheid in Brussel te veel noten op haar zang heeft omdat ze probeert de zelfstandigheid van de diverse Nederlandse staten te beknotten met beslissingen die alleen door die staten zelf mogen genomen worden (het lijkt vandaag wel een klacht tegenover de EU). Daarenboven lijden de Nederlanden onder de politiek die Filips als vorst van andere landen voert. En die plakkaten tegen kettervervolgingen mogen best wat minder, want de ketters zijn alleen maar misleid. En nu ze toch bezig zijn, zeggen de hoge edelen er maar bij dat zij en niet die klerken van Filips het land moeten besturen.

Zoals altijd treuzelt de vorst met een beslissing tot hij een nietszeggend antwoord vindt waar men alle kanten mee op kan. Inmiddels haakt een goed deel van de lage adel zich aan het wagentje van de groten. Lokale potentaatjes merken met afgrijzen dat Brussel zich met hun privileges moeit en probeert rechtszaken aan hen te onttrekken. Dat is een probleem, want boetes in plaatselijke rechtbanken zijn dikwijls de grootste inkomensbron van deze lokale potentaten.

Vele edellieden voelen zich aangetrokken tot dat calvinisme, al was het maar omdat ze met een verlekkerd oog naar die enorme kerkdomeinen kijken. De lagere edelen spelen al eeuwen politiecommissaris, onderzoeksrechter en gemeentebestuurder, naast de tijd die ze eventueel in de legers van de vorst doorbrengen. Zij schuwen geen geweld en ze verenigen zich in een drukkingsgroep die landvoogdes Margaretha van Parma (halfzus van Filips) de stuipen op het lijf jaagt.

Het eindigt in het bekende smeekschrift dat ze vreedzaam en zwaardloos aanbieden in april 1566. Ze eisen de afschaffing van de ketterplakkaten en vragen een vergadering van de Staten-Generaal over de financiële en religieuze problemen. Het is de beroemde scéne met een raadsman die Margaretha in het oor fluistert: “Ce ne sont que des gueux, Madame.” “Madame” is niet gerust in de houding van deze “bedelaars”, die feitelijk de eerstelijns ordebewaarders zijn. Ze koopt uitstel, want ze weet dat Filips er weer maanden zal over doen vooraleer te antwoorden. Ze maant de inquisiteurs echter aan zich voorlopig gedeisd te houden.

In een tijd zonder goede communicatie is het gerucht koning. Als een lopend vuurtje gaat het nieuwtje dat de calvinisten open en bloot hun geloof mogen belijden. Overal verschijnen predikers in het openbaar. Op 10 augustus slaat de vlam in de pan in Steenvoorde en begint de beeldenstorm.

Jan Neckers