Het aantal jobs stijgt, maar niet voor niet-EU-buitenlanders en allochtonen. In deze tijden waar overal in Vlaanderen racisten worden gezien, ligt de uitleg voor de hand: discriminatie maakt dat mensen van allochtone origine moeilijk aan een baan geraken. Dat klopt niet.

Elke studie toont het opnieuw aan: ondanks de relatief lage groei doet de arbeidsmarkt het goed. Volgens de Nationale Bank van België komen er 41.400 banen bij, een stijging met 0,9 procent. De werkzaamheidsgraad (het aantal werkenden ten opzichte van de beroepsbevolking) blijft wel rond een goede 67 procent hangen omdat er zich een stijging voordoet van het aantal mensen dat zich daadwerkelijk op de arbeidsmarkt aanbiedt. Onder andere 55-plussers die door de verstrenging van het brugpensioen niet meer in de inactiviteit kunnen blijven.

Het is dan ook zo dat het aantal 55-plussers dat werkt alleen maar blijft toenemen. Dat is trouwens het geval voor alle zogenaamde kansengroepen (jongeren, laaggeschoolden,…), behalve voor één categorie: de niet-EU-inwoners en Belgen van allochtone afkomst. In die categorie neemt de werkloosheid niet af. Erger nog, ze stijgt. Terwijl het aantal werklozen in Vlaanderen het voorbije jaar met 3 procent is gedaald nam dat aantal bij de vreemdelingen met 3,2 procent toe. In Wallonië was er zelfs een stijging met 6,8 procent. In Brussel daalde het aantal werkloze niet-EU-burgers en allochtonen weliswaar met 1,6 procent, maar de algemene daling van de werkloosheid in het gewest bedroeg 5,3 procent.

In het laatste verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid staat te lezen dat de werkzaamheidsgraad van niet-EU-burgers en allochtonen in België 45,2 procent bedraagt. Dat is het tweede zwakste cijfer in Europa. Mensen van vreemde origine raken dus maar niet op de arbeidsmarkt.

Voor organisaties als Unia is de oorzaak duidelijk: discriminatie. Bedrijven zouden geen allochtonen willen aannemen. En ook particulieren willen ze niet, bijvoorbeeld om te poetsen via dienstencheques. Het is een vaak gehoord verhaal. Opvallend daarbij is dat vooral de uitzendbureaus in het vizier komen. Al langer dan vandaag is er een strijd aan de gang tussen de interim-bedrijven enerzijds en anderzijds Unia (vroeger het CGKR). En dat terwijl de uitzendbureaus net één van de beste kanalen zijn om allochtonen aan een baan te helpen.

Nu proberen instellingen als Unia de Vlamingen een schuldgevoel over racisme aan te praten, daarbij geholpen door kranten als De Standaard, waar nog amper een redacteur rondloopt die verstand heeft van de werking van de arbeidsmarkt. Dat verwijt van ‘racisme’ is natuurlijk te gek voor woorden.

Er moet hier, voor eens en altijd, een misterverstand, ja zelfs een mythe, uit de wereld worden geholpen: discriminatie is niet de eerste oorzaak van de zwakke positie van allochtonen op de arbeidsmarkt. Onderzoek toont aan dat er andere redenen zijn die veel belangrijker zijn. De eerste is het gebrek aan een netwerk, zeker buiten de eigen gemeenschap, die helpen om aan een job te raken. Tweede reden is het opleidingsniveau. Die laat bij niet-EU-inwoners vaak te wensen over. Dat blijkt nu ook met de vele zogenaamde vluchtelingen in Europa. Het verhaal dat dat hier veel hooggeschoolden tussen zitten die onmiddellijk aan de slag kunnen, klopt langs geen kanten. Meer nog, bij bepaalde asielzoekers zoals de Afghanen, zitten meer dan 50 procent analfabeten. Derde element is de gebrekkige talenkennis. Onder andere in Brussel blijft dit een probleem. 90 procent van de werkzoekenden kent geen Nederlands. Maar ook de gebrekkige kennis van het Frans is meer en meer rampzalig. En dan is er de arbeidsattitude die bij allochtonen vaak te wensen overlaat. Tijdig op het werk komen is bij niet-EU-werkzoekenden vaak een probleem, om slechts één voorbeeld te noemen. Pas op de vijfde plaats speelt discriminatie een rol. De zwakke positie van de allochtonen en asielzoekers op de arbeidsmarkt is dus geen gevolg van het beleid. Het zou beter zijn dat men in de eigen groep wat meer aan introspectie doet.

Angélique Vanderstraeten