Het oude postkantoor op de Groenplaats in Antwerpen is een beschermd gebouw. Dat betekent dat je als eigenaar geen enkele wijziging mag aanbrengen die het historische karakter van het gebouw aantast. Zeker de gevel moet in zijn oorspronkelijke staat bewaard blijven. Het beschermen van een gebouw is een uitdrukking van de wil van een gemeenschap om haar cultuurhistorisch patrimonium te vrijwaren. Dit pareltje van Vlaams neoclassicisme werd echter zaterdag in dienst genomen onder de naam “Foodmarket Mercado”, waarin alles wordt gedaan om zoveel mogelijk afstand te nemen van dit Vlaamse erfgoed.

Het postgebouw heeft een rijke geschiedenis. In 1509 werd het gebouwd als woning voor een telg van het grote koopmansgeslacht Welser. Het huis, dat de naam “De Gulden Roose” droeg, werd later ook bewoond door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, de legendarische buitenburgemeester van Antwerpen, die zijn naam zou lenen aan de Marnixring, een vereniging die opkomt voor de Nederlandse taal en cultuur. Vanaf 1679 werd het huis door bisschop Ambrosius Capello in gebruik genomen als pastoraal college. Na een korte periode als locatie van een criminele rechtbank, liet Napoleon het inrichten als douanekantoor. In 1878 kreeg het gebouw zijn definitieve uitzicht, toen het door de Post werd heropgebouwd in neoclassicistische stijl. Vandaag hebben de nieuwe eigenaars van de Flanders Investment Company het woord “MERCADO” in kolossale letters aangebracht op de nochtans beschermde voorgevel.

Shrimp Croquettes

De naam “Foodmarket Mercado” (hoe slaag je erin twee keer “markt” te zeggen, zonder dat dit ook maar één keer in het Nederlands is?)  is slechts het topje van de anglomane ijsberg. De initiatiefnemers zetten al de toon toen ze vooraf publiciteit begonnen te maken voor “The Grand Opening” in “Antwerp”. Men durfde het net niet aan om Groenplaats te vertalen naar “Green Square”, een jammerlijke Vlaamse smet op het kosmopolitische blazoen van de organisatie.

De krantenartikels over de opening van de voedingsmarkt bulkten eveneens van de Engelse termen. Zo verneem ik dat de “foodmarket” blijkbaar een “foodie heaven” wordt en een “hotspot” voor “pop-ups”, “start-ups”, “street food” en “foodtrucks.” De organisatoren verzekeren ons dat er “cutting edge” producten zullen aangeboden worden en dat er ook “art exhibitions” voorzien zijn.

Dat buitenlandse keukens hun specialiteiten in de eigen taal aanprijzen zou nog op enig begrip kunnen rekenen. Maar zelfs de Vlaamse of niet-plaatsgebonden gerechten worden er in het Engels aangeboden. Wafels vind je bij Bubble Waffle, “fried chicken” bij Boxbird, fruitsap bij Juicemaker, schaaldieren bij de Seafood Bar. Het absurde Engelse snobisme gaat zelfs zover dat “de Vuurtoren”, een kraam dat in Antwerpen bekend staat voor zijn artisanale garnaalkroketten, in de Mercado onder de naam “The Lighthouse” zal opereren. “Hetzelfde concept, maar dan met een hippere naam”, zegt de uitbaatster. Neen, mevrouw, het is dezelfde naam. Alleen is hij nu in het Engels.

Eigenheid als succesformule

Men kan niet het excuus gebruiken dat de uitbatingen in handen zijn van multinationals met Engelse namen en dat die graag in alle landen dezelfde uiterlijkheden voor reclame en verkoop gebruiken. Alle standhouders zijn zelfstandige exploitanten. Het gaat hier over Vlamingen die hun gerechten in het Engels verkopen aan andere Vlamingen. Zelfs McDonalds en Pizza Hut doen meer hun best de streektaal te respecteren.

Of richt men zich misschien eerder op toeristen? Ook dan hebben de initiatiefnemers er niet veel van begrepen. Toeristen die historische stadscentra bezoeken, willen in de eerste plaats authenticiteit. Beseffen de inrichters wel dat precies de zoektocht naar plaatselijke eigenheid het mercado-concept heeft doen ontstaan?

Het idee om kleine, artisanale voedingskramen te groeperen en onder te brengen in historische gebouwen is ondertussen ook in enkele andere Europese landen toegepast. Maar de oorsprong ligt in Spanje. De oude, overdekte markt van San Miguel in Madrid kreeg het bij het begin van deze eeuw moeilijk met de concurrentie van moderne supermarkten. In 2003 werd het gebouw opgekocht door een aantal investeerders met een goed idee. Zij beseften dat zij nooit de concurrentie met grote, internationale ketens konden aangaan door gewoon dezelfde producten aan te bieden. Hun antwoord was authenticiteit.

De overdekte markt werd gevuld met tientallen kleine kramen en restaurantjes waar typische Spaanse gerechten worden aangeboden: jamon, calamares, olivos, caramelos, tapas, frutos secos… Daarbij ging de oorspronkelijke marktfunctie niet verloren: men kan er ook verse groenten, vlees en vis kopen. De oude, christelijke naam (van de oude kerk van San Miguel, die daar ooit stond) werd niet geschuwd in de naam van het nieuwe project.

De formule werd een geweldig succes, bij de Madrilenen, maar vooral bij de toeristen. Alle namen in de Mercado zijn Spaans. Alle producten zijn Spaans en worden in het Spaans aangeboden. Er is geen toerist die niet weet of snel ontdekt wat gazpacho, tortilla of paella is. En er is geen Spanjaard die eraan denkt om dit “cold soup”, “potato pie” of “fish and rice” te gaan noemen.

Zo charmeer je buitenlanders, zo dwing je respect af en zo kan je zelfs je eigen cultuur een klein beetje populair maken in het buitenland.

De taal van snobs en idioten

Het is het idee van de Madrileense Mercado de San Miguel dat men in Antwerpen poogt te kopiëren. Maar daarbij gaat men volledig voorbij aan de essentie. De Mercado van San Miguel is wel degelijk commercieel en heel eigentijds – daar is ook niets verkeerd mee – maar tegelijk  een triomf van Spaanse eigenheid. De mercado van Antwerpen is daarentegen een overwinning van culturele kruiperigheid en Engelstalig snobisme.

De organisatoren presenteren de mercado in het postgebouw als een toonbeeld van creativiteit en cultuur. Maar eigenlijk kunnen enkel oppervlakkigheid, na-aperij en gebrek aan verbeelding dit eindresultaat verklaren. Met de rijke geschiedenis van de Gulden Roos kwam men niet verder dan een anglofone Food Market, een slechte kopie van een goed idee.

Zal het initiatief een succes worden? Waarschijnlijk wel. Een groot deel van Vlaanderen is reeds ver genoeg opgeschoven in de richting van een cultureel niemandsland om nog aanstoot te nemen aan de verregaande verengelsing. Wie er iets over zegt, kan zich aan een repliek verwachten waarin de woorden “vendelzwaaien”, “muggenziften”, “2016” en “wereldtaal” met hoge graad van waarschijnlijkheid zullen verwerkt zijn.

De mercado is er nu gevestigd als een proefproject van zes maanden. De eigenaars hebben nog niet beslist wat de bestemming naderhand zal zijn. Maar de kans bestaat dat het project verlengd of definitief wordt. Mogen we hopen dat het stadsbestuur, dat de mercado vorige week mee ingezegend heeft, toch eens vriendelijk vraagt om het Vlaamse karakter van het historische stadscentrum te respecteren?

Het Engels is een zeer mooie taal. Het is een taal die ik zelf goed ken en waar ik van hou. Maar in Vlaanderen is het de taal van snobs en idioten. En vooral is het de taal die het Nederlands in de publieke ruimte steeds meer aan het verdringen is. Het is een evolutie waarin elke verdere stap geen aanleiding is tot groeiend protest, maar blijkbaar leidt tot grotere aanvaarding.

Jurgen Ceder