De vinger op de wonde

Mevrouw de politierechter,

Reis eens naar Spanje, Frankrijk of Duitsland, of zovele andere landen in Europa of de ganse wereld, en je moet er ernstig rekening mee houden dat je best probeert de taal van dat land wat te spreken om echt verstaan te worden. Als toerist wil men je nog wel eens welwillend helpen in het Engels of het Frans, maar dan houdt het echt op. Als je er definitief gaat wonen, leer je best de taal of je geraakt in een doodlopend straatje en je kan geen kant meer uit. Eigenlijk is het logisch: als gast pas je je zo goed mogelijk aan. Het leren van de taal is een basisvoorwaarde voor een vlot samenleven. Zelfs onze missionarissen destijds leerden meteen de taal van de inheemse volkeren die zij gingen bekeren en ontwikkelingshulp gingen bieden.

Gijzelf zijt zeker geen strijdende flamingante die dagelijks de leuze ‘In Vlaanderen Vlaams!’ scandeert, en gij wilt zeker niet in die hoek gesitueerd worden. Uw bekende halve trouwboek zou u dan mogelijk zelfs als mestkever kunnen gaan bezien… Maar als politierechter toonde gij vorige week wel een normale en juiste reflex toen gij voor u op de beklaagdenbank een Turkse vrouw voor u kreegt die na twintig jaar verblijf in ons land nog steeds geen gebenedijd woord Nederlands leek te spreken en bijgevolg moest voortgeholpen worden door een door de goegemeente betaalde tolk. “Heb je nog nooit een cursus gevolgd om de taal machtig te worden?”, was uw terechte vraag. Uw verontwaardiging hierover was zo groot, dat gij de dame in kwestie een fameuze veeg uit de pan gaaft. En terecht. Goed gedaan.

Tegelijk bracht gij met uw demarche een fameus probleem onder de aandacht dat toch wel eens wat meer aandacht zou moeten krijgen tot op de hoogste politieke niveaus. Dat probleem is dus het niet spreken van het Nederlands van tal van vreemdelingen die al lang in ons land verblijven. Bij hun contacten met de overheden en hun diensten moeten tegenwoordig steevast tolken ingeschakeld worden en dat kost handenvol geld. Cliënten van OCMW’s, beschuldigden en verdachten in rechtbanken, mensen die een en ander administratief moeten regelen met overheidsdiensten en noem zo maar op, stuiten op een heel hoge taalbarrière. En daar komen dan de tolken… Omdat er zoveel eieren onder gelegd worden en omdat wij aldus te weinig eisen stellen, zien vele vreemdelingen geen enkele noodzaak om onze taal te leren. Het was altijd voldoende om bij inburgeringstrajecten alleen maar de bereidheid te tonen om een flutcursusje Nederlands te volgen om geholpen te worden. Minister Homans heeft ingezien dat dit zo niet verder kan en voerde dan ook de verplichte taalkennis als voorwaarde om een sociale woning toegewezen te krijgen. Dat is één stap. Er moeten er mijns inziens nog meer volgen. Waarom zouden wij niet zover gaan dat als men na een inloopperiode van pakweg twee jaar nog steeds een beroep moet doen op tolken, dat men die dan zélf mag betalen?! Ik denk dat de kennis van het Nederlands daardoor zeker een hoge vlucht zal nemen.

Ik durf dan ook hopen, mevrouw De Gucht-Schreurs, dat gij alvast in uw rechtbank de vinger op de wonde blijft leggen. Het is alleen op deze manier dat er iets in beweging kan gezet worden en inspirerend kan gaan werken op de politici. En voor alle duidelijkheid zeg ik er nog graag bij dat ik er geen bezwaar tegen heb dat er in Vlaanderen ook andere talen dan het Nederlands gesproken worden. Maar in de communicatie met de overheidsdiensten moet het Nederlands de regel zijn, zoals dat trouwens in de taalwetten is voorzien. Als wij dat rigoureus naleven ten aanzien van de Franstaligen, dan zie ik geen enkele reden om door te vingers te kijken voor andere anderstaligen, van waar ze ook komen.

Doet gij daar eens een klapke over met Karel? Misschien kan hij daar dan eens een straffe column over schrijven in de grootste – eertijds o zo blauwe – gazet van het land. Alle beetjes helpen.

‘t Pallieterke