Suriname

Sommige mensen zien er op het eerste gezicht sympathiek uit. Ik kan het niet verklaren, maar het voelt zo aan. En zo was het ook met de man die al op mijn bank zat. Daarom knikte ik met een grote smile naar hem, toen ik plaatsnam.

Hij stelde zich onmiddellijk voor, wat betekende dat ook hij zin had in een praatje. Het ging eerst over het weer. Daar viel al heel wat over te zeggen. Uit dat gesprek bleek dat we geen van beiden tegen de kou kunnen. Toen ik dat uitdrukkelijk had bevestigd, zei hij: “Jij bent dus nooit tijdens een vakantie gaan skiën?”

“Eén keer hebben mijn vrouw en ik het geprobeerd. Veel skiën zat er niet in. Ik moet wel toegeven dat de skiërs die door de sneeuw raasden zeker een fijne vakantie hadden.”

“Jullie liggen liever in een warm land te zonnen en te bruinen”, veronderstelde hij.

“Geen haar op ons hoofd dat daar interesse voor heeft. Op reis willen wij iets meemaken, iets leren”, zei ik.

“In dat opzicht zijn wij gelijke zielen. Hebben jullie veel gereisd?”

“Wij bezochten heel wat landen.”

“Ver weg?”

“Europa, een stuk Azië, Noord-Amerika en Zuid-Amerika.”

“Wij hielden niet van geleide reizen. We zaten ook niet altijd in luxehotels waar je het eten op tafel krijgt en je achter een gids moet huppelen. … Waarom zit je te grinniken?”, vroeg hij.

“Omdat wij hetzelfde deden. Liever eigen baas dan in het rijtje te moeten lopen.”

“Kijk man. Wij waren en zijn werkzaam in de kerk als vrijwilligers”, vertelde hij. “Zo leerden we paters en zusters missionarissen kennen die met verlof kwamen. Sommigen nodigden ons uit om eens naar hun missiepost te komen.”

“En dat heb je gedaan?”, vroeg ik.

“Dat spreekt. Wij gingen daar natuurlijk niet parasiteren. We zorgden voor een flinke bijdrage.”

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik vroeg of hij er wat meer wilde over vertellen, wat hij graag deed.

“Jaren geleden, gingen we naar Suriname, een prachtig land in Zuid-Amerika. We waren uitgenodigd door Vlaamse missiezusters die in een dorp aan de rivier de Marowijne een missiepost hadden. We werden vriendelijk ontvangen en voelden dat ook zij blij waren met bezoek uit eigen land. Wij van onze kant probeerden zoveel mogelijk te helpen. Tegelijk beleefden we het missiewerk van heel nabij en leerden we de noden kennen. De reis die we maakten, was niet zoals die van een toerist. Mijn vrouw en ik werden gestoken door de missiegeest. In die tijd trok ik een hoop dia’s.”

“Ik denk dat ik al weet wat je daarmee van plan was”, zei ik.

“Terug thuis moesten we honderduit vertellen over ons wedervaren bij die missie. De pastoor van de parochie was onmiddellijk geïnteresseerd. Hij stelde voor, omdat de vastentijd nabij was, iets te doen voor de zusters ginder ver. In het parochiehuis gaf ik over hun missiewerk een diavoorstelling met de nodige uitleg. Zij die kwamen kijken, moesten als inkom een nieuwe handdoek meebrengen.”

Ik schoot in de lach. “Waarom geen geldomhaling?”

“Een handdoek klinkt inderdaad gek. Maar je moet weten, een wassiedoekie was in Suriname toentertijd duur, en misschien nog steeds. De diavoorstelling werd een echt succes. Op het einde hadden we twee grote manden vol mooie handdoeken.”

“Hoe kwamen die ter plaatse?”, wilde ik graag weten.

“Opsturen was de bijdrage van mij en mijn vrouw. Zal ik je iets grappigs vertellen over ons verblijf ginder?”

Ik hoefde niet te antwoorden. Hij praatte aan één stuk door: “Ik wandelde naar het kerkhof en schrok omdat het er zo slordig was. Plotseling zag ik op een graf een pot staan. Geen bloempot, een doodgewone pispot. Ik was geërgerd, greep hem vast en wilde hem weggooien. Een man zag het en hij riep: ‘Laat de pot van mijn tante staan! Hier ligt zij begraven. Een persoonlijk voorwerp van de dode leggen wij op het graf.’”

Ik stamelde een verontschuldiging en zette de pot eerbiedig terug op zijn plaats.

TdW