Lang ga ik hier niet blijven zitten, dacht ik, nadat ik op mijn bank had plaatsgenomen. Wat dat tegenwoordig met het weer is, kan geen mens uitleggen. Ik gaf mezelf één kwartier en als ik dan geen contact had, zou het wel een café worden in plaats van een terras. Spijts het rottige weer liepen er toch wat mensen.

Plotseling hoorde ik achter mij een stem die zei: “Dominus vobiscum.”

Het schoot als een flits door mijn hoofd, die stem ken ik van lang geleden. Dat is de Frans.

Zonder mijn hoofd om te draaien zei ik: “Et cum spiritu tuo.”

Daarop zei de Frans, zonder tevoorschijn te komen: “Ite missa est.”

Waarop hij van mij als antwoord kreeg: “Coca cola is het best.”

En toen voelde ik zijn hand op mijn schouder.

“Den Tee!” zei hij. “Ik had het kunnen denken jou hier, na al die jaren, te vinden. Hier op dit terras gingen wij een lief zoeken.”

“Gij”, zei ik. “Dat heb ik nooit gedaan.”

“Leugenaar”, zei hij.

“Ik moest niet zoeken. Naar mij kwamen ze vanzelf”, blufte ik.

Dat antwoord kostte mij een flinke kneep in mijn schouder. Even later zat de Frans naast mij.

“Hoeveel jaren is het geleden dat wij misdienaars waren?”, vroeg hij.

“Iets meer dan veertig jaar”, antwoordde ik.

“De rest van die tijd wil ik niet hangen. In rekenen ben jij nooit de beste geweest.”

“Is jouw Latijn nog zo goed als toen wij in onze jeugd iedere morgen de mis dienden?”, vroeg ik.

“Het is nog beter geworden. Een tijd geleden pakte iemand uit met zijn kennis van het Latijn. Ik bewees dat ik er ook straf in was en zei: “Ditis nepis potentis negrote.” Hij begreep er niets van.”

“Het volstond om de woorden juist te splitsen”, lachte ik. “Dat is een misdienaarsgrap uit de tijd dat Methusalem nog geen baard had.”

“Genoeg Latijn. Woon jij altijd nog in Antwerpen?”, vroeg Frans.

“Niet meer in het Schipperskwartier. Toen ik trouwde, kwam ik op het Zuid terecht.”

Frans floot en zei: “Chique meneer.”

“Waar haal je dat nu uit?”

“Allee man. Het Zuid was toch altijd ‘the place to be’. Het Zuidstation, de Hippodroom, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, het Fotomuseum, de Zuiderdokken, de Waterpoort, de Kaden…”

“Frans, gij hebt het over het Zuid vóór de Leien. Ik woon op het Zuid achter de Leien. Nu zeggen sommige ouderen nog het Vuil Zuid, en heel vroeger spraken ze ook van de Pishoek. Nu zijn we daar overstelpt van … hoe zal ik het zeggen? Mensen die van ver zijn gekomen en zich vermenigvuldigd hebben. Klinkt dat niet mooi? Hoe is het jou verder verlopen? Jij bent toch getrouwd? Of fladder je altijd nog rond?”

“Ik heb na mijn trouwen de stad verlaten. Voel ik heimwee naar die tijd van toen, dan kom ik hier nog eens rondneuzen.”

“Is je vrouw er niet bij?”, vroeg ik.

“Zij is bang van de stad en nu meer dan vroeger. Een tijd geleden kwam ze met enkele vriendinnen hier op winkeltocht. Haar gouden ketting, met eraan de medaille van haar plechtige communie, werd van haar hals gerukt. Sindsdien moet ik haar niet meer spreken van de stad.”

“Wij hebben de goede tijd in het Schipperskwartier meegemaakt, met vreemdelingen van overal. Zij pasten zich aan zonder iets te eisen. Ze voelden zich meteen thuis en deden gewoon met ons mee.”

“Omdat het een tijdje geleden was dat ik hier kwam, schrok ik van het volk dat hier rondloopt”, zei de Frans.

“Alles verandert en tegenwoordig gaat het rapper dan vroeger. Het is niet tegen te houden. Ofwel probeer je mee te doen, ofwel word je een zuurpruim.”

“Zouden er nog van die gezellige cafeetjes zijn waar wij vroeger mochten komen. Veel zal er niet van overgebleven zijn.”

“Frans, ik ken er nog één van die tijd”, zei ik.

Hoe de rest van onze ontmoeting verliep, kan je wel raden.

TdW