Voor een paar weken schreef ik mijn herinneringen neer aan de tv-journaals van 1956 en de crisis rond het Suezkanaal. De hoofdacteur was de Egyptische president Gamal Abdel Nasser.

Heimelijk Brits protectoraat

De fascinerende figuur van de Egyptenaar verdient iets meer uitleg. De man is het schoolvoorbeeld van de Arabische dictator die erin slaagt de mooie eigen ruiten in te slaan. Hij is nog altijd de grote held van de Arabische wereld die, tot vandaag, niets uit zijn latere dwaasheden heeft geleerd. Egypte is een uniek kolonisatie-voorbeeld.

Tot 1918 wordt het bestuurd door de Kedives, erfelijke vicekoningen van Albanese origine. Theoretisch is het land nog altijd een deel van het Ottomaanse Rijk, maar in de praktijk regeren de Kedive en zijn corrupte pasja’s autonoom over Egypte en ze persen deskundig de arme boertjes af. Spilzuchtig als zij zijn, is er altijd geld te kort. Het Suezkanaal wordt daarom gegraven met het geld van Brits-Franse financiers die het honderd jaar lang mogen uitbaten en die Egypte met een aalmoes afschepen.

In 1882 besluiten de Britten de Kedive te “helpen” bij de afbetaling van zijn schulden. Ze nemen het bewind in Egypte over. De Kedive wordt “geassisteerd” door een Britse consul-generaal (niet eens een ambassadeur, want die zit bij de sultan in Constantinopel) die in werkelijkheid Egypte bestuurt. Naast iedere Egyptische minister staat een Britse “assistent” die de echte baas is. De opperbevelhebber van het nieuwe Egyptisch-Brits leger is de “sirdar”, een Britse generaal die alleen zijn eigen Britse regimenten vertrouwt. En het hoofd van de Egyptische geheime dienst is de “mamur zapt”; uiteraard ook een Brit. Na 1918 en de ontbinding van het Ottomaanse Rijk wordt Egypte theoretisch een onafhankelijk koninkrijk en is het niet langer een heimelijk Brits protectoraat. Maar de Egyptenaren moeten aanvaarden dat een Brits leger van 10.000 beroepssoldaten het land en vooral het Suezkanaal “beschermt”. Jonge nationalistische Egyptenaren zijn die Britse schoonmoeders meer dan beu, maar koning Faroek (afstammeling van Kedives) en zijn kliek zien de Britten meer als garantie voor hun corrupt regime dan als bezetters.

De kolonel wordt dictator

Gamal Abdel Nasser is de zoon van een postambtenaar. Hij hoort niet bij de rijke elite maar zijn familie is hoogverheven boven de arme boeren. Nasser krijgt een verzorgde opvoeding. Hij leert Engels en Frans, de taal van de welstellende Egyptenaren die dwepen met Frankrijk. Zoals veel jongemannen uit de bourgeoisie wordt Nasser een overtuigde nationalist die meer tijd aan acties dan aan school besteedt. Hij kiest voor een loopbaan in het leger en in 1938 wordt hij als 20-jarige onderluitenant.

Tijdens de oorlog sympathiseert hij heimelijk met de Duitsers en het leger zendt hem naar Khartoem in Soedan, dat dan nog gezamenlijk bestuurd wordt door Egyptenaren en Britten (de echte bazen). Nasser komt wel in actie in 1948 als Egypte één van de vijf landen is die het jonge Israël willen vernietigen. Hij is de onderbevelhebber van een brigade die er een tijd in slaagt de Israëli’s op te houden en hij merkt verbitterd op dat het Egyptische leger een incompetent zootje is. Hij keert met veel prestige terug naar Caïro en hij verzamelt rond zich jonge nationalistische collega’s die genoeg hebben van de armoede en de corruptie in hun land. Nasser wordt de spin in een web dat geduldig in heel het leger wordt uitgebouwd. Hij is de enige die alle namen van medestanders kent. De koninklijke regering begint iets te vermoeden en Nasser is haar voor. Hij informeert Britten en Amerikanen van een putsch tegen de vadsige koning, krijgt “geen bezwaar” en op 22 juli 1952 grijpt hij de macht. Het regime biedt geen tegenstand. Nasser heeft één probleem. Hij is maar een 35-jarige luitenant-kolonel, dus schuiven hij en zijn sympathisanten een oudere en gerespecteerde generaal naar voren die het gezicht van de revolutie wordt. Deze Mohammed Naguib wordt eerste minister en later president, terwijl Nasser zich tevreden stelt met een rol als tweede man. De putchisten vaardigen onmiddellijk populaire maatregelen uit, zoals een landonteigening ten voordele van de arme boeren. In de praktijk reikt die niet echt ver, maar als symboolpolitiek kan ze tellen. Er is iets tweeslachtigs aan Naguib. Hij wil democratische partijen aan de macht en het leger weer in de kazerne. Tezelfdertijd steunt hij als gelovige mohammedaan de invloedrijke Moslimbroeders, die een theocratie eisen.

Nasser treedt ook niet buiten zijn Arabisch-mohammedaanse denkpatronen en verkiest een (moderne en efficiënte) dictatuur. Hij drukt zijn zin door en Egypte wordt een éénpartijstaat. In de machtsstrijd tussen Nasser en Naguib wint Nasser omdat het grootste deel van het leger hem steunt. Hij verbant Naguib, benoemt zichzelf tot president en introduceert de typische zonden van de Arabische heersers: paranoïde wantrouwen, een sterke geheime politie en overal informanten en spionnen. Honderden echte of vermeende tegenstanders verdwijnen in de gevangenis waar ze vreselijk behandeld worden. Ook de Moslimbroeders met hun aanspraak op de macht moeten eraan geloven. Maar Nasser kent de diepte van de gevoelens van veel van zijn achterlijke landgenoten en hij laat overal beelden tonen van zijn pelgrimstocht naar Mekka. Dan is het tijd om de zogenaamde oorzaak van alle ellende in Egypte te verwijderen: de Britten. Die verlaten tegen heug en meug het land, en zien met afgrijzen dat Nasser zich neutraal opstelt in de Koude Oorlog. De Egyptenaar wil geen lid worden van een antisovjetbondgenootschap. Daarenboven steunt hij de Algerijnse rebellen in de bloedige oorlog tegen de Fransen.

De leider waar alle Arabieren op wachten

Nasser heeft grote plannen om de toevoer van de Nijl beter te plannen en de Egyptische landbouw ook in de droge maanden water te geven. In Assouan moet een reusachtige dam gebouwd worden met behulp van Amerikaans en Brits kapitaal. Van de ene op de andere dag weigeren westerse financiers krediet aan die “neutralist”. Nasser wendt zich tot de Sovjet-Unie, die droomt van een vaste voet in het Midden-Oosten en graag betaalt. De Egyptenaar ruikt nog een opportuniteit. Met als voorwendsel dat hij geld nodig heeft voor Assouan, nationaliseert hij het Suezkanaal. De Britse en Franse eigenaars reageren hysterisch, hoewel ze weten dat hun concessie in 1968 vervalt. De Franse minister van Buitenlandse Zaken spreekt over “geen tweede München”. In Britse en Franse kranten wordt Nasser in schreeuwerige koppen een nieuwe Hitler genoemd. De twee Europese gewezen grootmachten spannen Israël voor hun kar; denken ze toch. Nasser heeft al eens heimelijk contacten met Israël gehad, maar vanuit het dan nog Egyptische Gaza worden voortdurend aanvallen op de joodse staat uitgevoerd. De Israëli’s slaan iedere keer keihard terug en Nasser durft geen verdere gesprekken aan. Op 29 oktober 1956 rollen de Israëli’s het Egyptische leger in de Sinaïwoestijn op, en ze staan aan het Suezkanaal. Britten en Fransen vallen Egypte binnen met als voorwendsel het kanaal te beschermen. De onwetende Amerikanen zijn razend over die koloniale interventies en ze dwingen hun bondgenoten tot een smadelijke terugtocht. Er zijn twee winnaars: Israël, dat in een geheime onderhandeling met Egypte allerlei beperkingen voor zijn scheepvaart laat opheffen, en Nasser zelf. In heel de Arabische wereld wordt hij hysterisch bejubeld. Eindelijk heeft er iemand die arrogante Europeanen te grazen genomen. Dit is de leider waar alle Arabieren op wachten.

Jan Neckers

(wordt vervolgd)