“Het doel heiligt de middelen” is dikwijls een constante geweest in de Amerikaanse presidentsverkiezingen en dateert niet van de confrontatie Trump versus Clinton.

Voorzichtig met de “popular vote”

In 1876 valt de beslissing nauwelijks een paar dagen voor de inauguratie. Het is één van de vijf verkiezingen waarbij de nieuwe president, zoals vandaag, meer kiesmannen maar minder stemmen haalt dan de tegenstander. Maar oppassen met de “popular vote”. Veel staten stemmen legislaturen lang traditioneel Republikeins of Democratisch. In 2016 stemmen veel Republikeinen niet in de staten New York of Californië, want dat is zinloos. Democraten nemen dan weer niet de moeite om in Georgia naar het stemhokje te trekken.

Veel hangt af van de “Propositions”; plaatselijke voorstellen waar iedere staat laat over stemmen tegelijk met de presidentsverkiezingen. Soms komen onwillige kiezers dan wel uit hun kot. Er is een gigantische kloof tussen de 57 procent kiezers in de race Trump-Clinton en de 80 procent die soms gehaald wordt in plaatselijke referenda. “The popular vote” geeft een richting aan, maar een echte juiste uitslag zal er alleen zijn als men het kiescollege afschaft en niet langer per staat telt, maar alle stemmen optelt (zoals Trump voorstelt).

In 1876 heeft de Democratische kandidaat een meerderheid van 19 kiesmannen, terwijl er een lange betwisting is over 20 toe te wijzen mandaten. Die gaan ten slotte allemaal naar de Republikein Hayes. Hij wint omdat één stem van een rechter in een speciale commissie de doorslag geeft; een scenario dat in 2000 herhaald wordt. In ruil voor de Republikeinse overwinning verlaten federale troepen de staten in het Zuiden die ze nog bezetten. Overal krijgen aanhangers van de verslagen Confederatie hun stemrecht terug, zodat de situatie van voor de burgeroorlog deels hersteld is. Alle zuidelijke staten vaardigen “Black codes” uit die verhinderen dat negers kunnen stemmen.

“Ma, where’s my pa?”

Tegen het einde van de 19de eeuw verschijnt de massapers en stromen miljoenen migranten binnen. Nu gaan de bokshandschoenen volledig uit en wordt niets en niemand meer gespaard. De Republikeinen (erfgenamen van Lincoln) vinden dat het Witte Huis hun natuurrecht is en wuiven dertig jaar lang met “The bloody shirt”. De Democraten uit het Zuiden waren de belangrijkste voorstanders van de Confederatie en bij iedere verkiezing moeten ze horen dat ze verantwoordelijk waren voor de slachtingen in de burgeroorlog. De Republikeinse slogan klinkt modern: “Niet iedere Democraat is een rebel, maar iedere rebel is wel een Democraat.” Het gelijkt op het “zwartzakkenverwijt” dat de Volksunie hier veertig jaar lang kreeg.

De Democraten worden ook beschuldigd dat ze de partij zijn van “rum, rebellie en rooms-katholicisme” (met dank aan de Ieren). Natuurlijk wordt er zwaar op de man gespeeld. In 1884 zijn de Democraten niet meer te stuiten, maar hun kandidaat heeft een onwettig kind verwekt. Alle Republikeinen zingen “Ma, ma, where’s my pa?” “Gone to Washington, ah, ah, ah”, antwoorden de Democraten nadat hun kandidaat wint.

Niet dat ze zelf onschuldig zijn. Vier jaar eerder vervalsten ze een zogenaamde brief van de Republikeinse kandidaat waarin hij zich voorstander noemde van massale Chinese immigratie om de lonen te doen dalen.

Van kwaad naar erger

De presidentsverkiezingen in de eerste helft van de 20ste eeuw komen in wat rustiger vaarwater terecht, omdat Amerika weer eens in één van zijn puriteinse buien is. De media weten veel, maar melden weinig. Wel sneuvelt Al Smith nog in 1928 tegen Herbert Hoover, nadat de Republikeinen vileine dingen zeggen over zijn katholiek geloof dat hem ongeschikt maakt omdat hij zogenaamd bevelen uit Rome uitvoert. Maar de media zwijgen dertien jaar lang over het feit dat een kreupele (kinderverlamming) en tenslotte doodzieke Franklin Roosevelt in het Witte Huis zit.

De permanente schuinsmarcheerder John Kennedy brengt met zijn seksavonturen de Amerikaanse veiligheid in gevaar, maar de pers zwijgt. Vlaanderen kijkt integendeel vertederd naar diens “schone” familie en eert hem onterecht met tunnels, lanen en straten. Rond 1970 eindigt het puritanisme, en dan gaat het van kwaad naar erger. De Democraat McGovern is in 1972 geen partij voor de Republikeinse president Nixon, maar voor alle zekerheid maken de Republikeinen de vroegere psychische problemen van de Democratische kandidaat voor het vicepresidentschap bekend, zodat hij gebroken de race verlaat. Tezelfdertijd breken een paar Republikeinen het Democratisch hoofdkwartier in het Watergategebouw binnen. Nixon, die waarschijnlijk niets op voorhand wist, probeert toch voortdurend stokken in het gerechtelijk onderzoek te steken en verspeelt er zijn presidentschap mee.

Echt vuil

Echt vuil wordt het in de jaren tachtig als vicepresident George H.W. Bush tegenover de Democraat Michael Dukakis staat. Een zogenaamd onafhankelijke organisatie haalt Willie Horton uit de kast. Deze neger is levenslang veroordeeld voor een gruwelijke moord, maar krijgt toch af en toe penitentiair verlof. Hij gebruikt het om een vrouw afschuwelijk te verkrachten. Dukakis is niet de initiatiefnemer van dat verlof, maar hij heeft als gouverneur zijn veto gesteld toen het parlement van Massachusetts verlof voor moordenaars onmogelijk wou maken. De zaak-Horton wordt door het kamp Bush keihard uitgespeeld, terwijl de kandidaat zelf schijnheilig volhoudt dat hij niets te maken heeft met de mensen die de zaak in de publiciteit brachten. Vanaf dat moment is seks een van de belangrijkste thema’s in een Amerikaanse presidentsverkiezing.

Vier jaar later trekt Gary Hart, de belangrijkste Democratische kandidaat, zich terug nadat hij heeft gelogen over een buitenechtelijke verhouding. Het is ironisch dat hij de nominatie van zijn partij overlaat aan iemand die geen vrouw met rust kan laten, maar die overleeft omdat zijn machtsbeluste vrouw Hillary hem in het openbaar vergeeft en het koppel achter de schermen geld geeft aan de slachtoffers van Bill Clinton. Zijn verhouding met stagiaire Monika Lewinsky vernietigt zijn presidentschap en zorgt ervoor dat hij als tweede president op het strafbankje voor de Senaat verschijnt, waar niet genoeg stemmen zijn om hem af te zetten.

Het schandaal straalt wel af op de vicepresident, Al Gore, die in 2000 naast het presidentschap grijpt ten voordele van Bush junior. Gore heeft 500.000 stemmen meer, maar verliest omdat Florida zijn betwiste kiesmannen aan Bush geeft. Waarschijnlijk zijn er onregelmatigheden geweest, maar weer is de stem van één rechter bepalend. Het hooggerechtshof moet beslissen of er herteld wordt en met vijf tegen vier verbiedt het dat. Minder geweten is dat ook de opkomst van de bekende consumentenman Ralph Nader en zijn Groenen Gore waarschijnlijk de verkiezing kost, want Nader haalt 2.900.000 stemmen.

De verkiezingen van 2004 zien ook een smakeloos toneel. Democraat John Kerry, een oorlogsheld in Vietnam, wordt door het kamp Bush als een lafaard afgeschilderd die zijn vele oorlogsmedailles niet verdiend heeft. De beschuldiging in 2008 aan het adres van Obama, dat hij niet in de VS geboren is zoals de grondwet eist, ligt nog vers in het geheugen en Trump heeft ze pas een paar weken voor de verkiezingen ingeslikt.

Opvallend vind ik dat de “vaderlandsche” media zo weinig aandacht hebben besteed aan Gary Johnson, die een paar weken geleden 4.200.000 stemmen haalde voor zijn Libertarische Partij, die onder andere drugs wil toelaten; stemmen die zonder zijn opkomst waarschijnlijk naar Hillary Rodham waren gegaan.

Jan Neckers