2016-44_02_nollet-ceta-ondertekend-mediumDe CETA-saga doet vragen rijzen over de hangende handelsakkoorden tussen de Europese Unie en onder andere de Verenigde Staten, Japan, de Mercosur-landen en India. De kans dat er hier nog een akkoord kan worden afgesloten, is klein. Al is dat niet alleen het gevolg van de Waalse soloslim.

Waals minister-president Paul Magnette (PS) geeft het openlijk toe: zijn verzet tegen CETA was ook ingegeven door een strategie om op termijn het grote TTIP-handelsakkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten onmogelijk te maken. Want wanneer blijkt dat een regio met 3,5 miljoen van de meer dan 500 miljoen Europese burgers het Europees-Canadese-handelsverdrag op de lange baan konden schuiven, dan zal dat ook met het veel zwaarwichtiger TTIP-verdrag het geval zijn.

Ook andere onderhandelingen bezig

Meteen rijst de vraag of er nog plaats is voor een Europese handelspolitiek. Momenteel zijn nog andere handelsbesprekingen bezig. Onder andere met Japan, India en de Mercosur-landen (Brazilië, Argentinië, Uruguay, Paraguay, Venezuela en Bolivia). Niet dat er geen sprake is van handel met die landen, maar een vrijhandelsakkoord moet de handelsrelaties verder verdiepen.

Echter, meerdere factoren wijzen erop dat die handelsverdragen niet voor morgen zijn. Het is ook zeer twijfelachtig of ze er nog komen. Sinds de eeuwwisseling is er in de wereldeconomie opnieuw sprake van een tendens naar protectionisme, naar meer afgeschermde markten. Dat maakt handelsverdragen bij een toenemend deel van de bevolking minder populair. De eerste protesten kwamen vooral van linkse antiglobalisten. De beweging kreeg na de financiële crisis van 2009 een nieuwe impuls met stromingen als ‘Occupy Wall Street’. En nu is er een nieuwe strekking die geïnspireerd is door de verschillende politici die als ‘populisten’ worden bestempeld. Het verhaal is bekend: de globalisering doet een aantal banen verdwijnen, vooral bij laaggeschoolden. Bovendien koppelen de voorstanders van economische globalisering daar vaak een discours van “open grenzen” en “totaal vrij verkeer van personen” aan. Dit zorgt voor extra onrust over de vele migratiegolven. Komt nog bij dat de groei van de wereldeconomie sinds enige tijd lager ligt dan de toename van de internationale handel. Ook al kopen en gebruiken de tegenstanders van vrijhandel en globalisering producten die net de incarnatie zijn van die vrijhandel – denk aan gsm’s en smartphones – een steeds groter deel van de westerse bevolking vindt dat het huidige economische model op de schop moet. Het verklaart voor een deel het succes van politici als Donald Trump en Marine Le Pen.

Onduidelijke bevoegdheidspakketten

Maar het ongenoegen van de bevolking en de toenemende protectionistische tendensen zijn slechts één oorzaak van de sputterende handelsmotor. Ook de Europese elite moet eens de hand in eigen boezem steken. Niet enkel over haar gebrekkige communicatie, maar ook en vooral over procedures om tot handelsakkoorden te komen. Of men het graag wil of niet, met het Verdrag van Lissabon hebben de EU-lidstaten een belangrijk deel van hun soevereiniteit opgegeven wanneer het over handelszaken gaat. Handel is een exclusieve Europese bevoegdheid, tenzij het over sociaal beleid, milieu, consumentenbescherming, transport, veiligheid, gezondheidszorg en energie gaat. In dat geval moeten zogenaamde gemengde handelsverdragen worden afgesloten. Maar in de praktijk is onduidelijk wanneer zo’n gemengd verdrag moet worden afgesloten, wat leidt tot een juridisch imbroglio.

In de praktijk vond men hier de voorbije jaren af en toe een oplossing. Een handelsverdrag werd onder voorbehoud goedgekeurd. Dat gebeurde in 2010 met een vrijhandelsakkoord met Zuid-Korea. Het trad deels in werking, maar de materies waarvoor een nationale goedkeuring nodig was, werden geactiveerd na het ‘ja’ van verschillende nationale parlementen, vijf jaar later.

Problematischer was de vraag van de Europese Commissie aan het Europees Hof van Justitie in 2014 over een handelsakkoord met Singapore. Moest hiervoor de toestemming gegeven worden door de lidstaten (en dus ook regio’s in België) of niet? Het blijft wachten op de uitspraak van het Hof. Wellicht zal het Hof zeggen dat het hier om een exclusieve EU-bevoegdheid gaat. Was die uitspraak er al gekomen, dan was de CETA-heisa wellicht vermeden. De uitspraak van het Hof zal ook bepalend zijn voor toekomstige akkoorden, zoals het omstreden TTIP-verdrag.

Angélique Vanderstraeten