2016-52_16_joconscience-zwartwit-mediumIk zat helemaal alleen op mijn bank van het Noorderterras. Wat een geluk! Ik was namelijk niet in de juiste stemming voor een gesprek. Daar was ik ook niet voor gekomen. Ik was heel langzaam naar het terras geslenterd om afscheid te nemen van mijn bank. Aan een gesprek had ik helemaal geen behoefte. De tijd van gesprekken op het terras is voorbij, en dat gaf mij wel een raar gevoel in de maag.

Let op! Ik ben niet ontslagen! Ik heb zelf de beslissing genomen dat het genoeg is geweest. Ik had geen behoefte meer aan gesprekken die ik nadien thuis verder moest uitwerken om te verschijnen in ’t Pallieterke.

Alles op zijn tijd. Ik zat rustig te mijmeren over het verleden.

Ik werd geboren in de Jezuïetenrui te Antwerpen niet ver van het standbeeld van Hendrik Conscience, de man die zijn volk leerde lezen. Misschien kwam het daardoor dat ik later 36 jaar lang de kinderen van het eerste leerjaar leerde lezen. Zelf schreef ik 150 boeken voor de jeugd. Misschien had ik die schrijfmicrobe opgelopen door als kleuter dagelijks Conscience te zien.

Ik bracht hem later een van mijn eerste boekjes. (Zie foto)

Of hij ze las, weet ik niet.

Intussen waren wij met de familie verhuisd naar de Parochiale Lagere Meisjesschool tegenover de trappen van de Sint-Pauluskerk, hartje Schipperskwartier. Moeder was daar conciërge geworden.

Toen het eerste nummer van ’t Pallieterke verscheen, moest ik het voor mijn vader gaan kopen in de gazettenwinkel op de Jordaenskaai, recht tegenover de trappen van het Noorderterras. Iedere week.

Op een huwelijksfeest maakte ik kennis met Jan Nuyts, de toenmalige hoofdredacteur van ’t Pallieterke. We hadden een goed gesprek en ik was zo vrank hem te vragen of het geen goed idee zou zijn een kinderbladzij in zijn tijdschrift te brengen. Dat paste daar natuurlijk niet in. “Kom eens bij mij thuis praten”, stelde hij voor. Dat resulteerde in een eerste bijdrage.

Op 10 maart 1988 verscheen die onder de titel: ‘Boycot de klokken van Rome. Van die Paus geen eieren!’ In oktober volgde ‘Sint veroordeeld. Piet kreeg de zak’. Ik was zo trots als een aap.

De komende zes jaar mocht ik nu en dan aan de beurt komen. Nooit boven de tien bijdragen per jaar.

Het ging langzaam, met vallen en opstaan.

De grote doorbraak kwam in 1995, toen ik plotseling iedere week een artikel mocht leveren. Omdat ik toen op het Zuid woonde, trok ik naar het Zuiderterras om mensen te ontmoeten en schrijfstof te vinden. Ik bleef er niet lang. Het Noorderterras in het Schipperskwartier lag me meer aan het hart en gaf me de gelegenheid tot ontmoetingen die ik kon omzetten in een wekelijkse bijdrage.

Het was daar dat ik uiteindelijk een vaste bank op het Noorderterras veroverde. Ik voelde me danig in mijn sas omdat mijn jeugd zich in die buurt had afgespeeld. Ik zag er oude vrienden terug en verschillende mannen van de 10de Sint-Paulus Oud-Scouts. Ik maakte niet bekend dat ik de auteur was van ‘Op het Noorderterras’ in ’t Pallieterke. Dat gaf me meer vrijheid om te schrijven wat me op het hart lag. Een vrijheid die doorliep ook toen Karl van Camp hoofdredacteur werd.

Wanneer ik nu omkijk, kan ik me alleen maar gelukkig prijzen.

De tijd is gekomen om de ganzenveer, het potlood, de pen, de bic, de balpen, de stift opzij te leggen.

Ik kan terugblikken op een mooie tijd. Schrijven wat je écht zelf hebt meegemaakt, wat je denkt of fantaseert, het is niet iedereen gegeven.

Ik stond op en keek naar de Schelde. Daarna streek ik met mijn hand over de rugleuning van mijn bank en zei zachtjes: “Bedankt.”

En toen liep ik weg. Waar de trappen naar de kade beginnen, keek ik nog één keer om.

Ik voelde iets … een krop in mijn keel.

TdW