2016-51_05_nollet-visum-mediumLaten we maar meteen in huis vallen met Bas Heijne. De mooie titelzin komt van deze Nederlandse schrijver en essayist, columnist voor NRC Handelsblad en de kersverse winnaar van de P.C. Hooftprijs 2017, een van de belangrijkste literatuurprijzen van Nederland voor zijn beschouwend proza. Wat mooi is, is evenwel niet per definitie juist (en omgekeerd).

Heijne, meer een sombere observator dan een militante pen, had het in een interview in De Morgen (‘Ook in de politiek is de klant koning’, 19 dec.) over ons mensbeeld. Volgens hem bedreigt een soort doorgeschoten individualisme – de Contraverlichting – de naoorlogse humanistische idee dat we uiteindelijk allemaal één zijn, dat empathie overwint, dat racisme en seksisme de wereld uit moeten. Velen foeteren en zijn hun geloof kwijt. De god Obama lijkt vandaag al een relikwie uit het verleden. Zijn erfenis ligt op de schroothoop. Het zijn Trump, Wilders en co die scoren…

De analyse van Heijne en velen met hem is eenzijdig. Ze is economisch links (“we zijn broedmachines voor de commercie”…), en maatschappelijk progressief en politiek correct.

Eenzijdig dus, omdat ze wel erg spaarzaam is met kritiek op het collectivisme van de gelijkheidsideologen. Dat kan geen alternatief zijn.

Eenzijdig omdat volgens Heijne de gefrustreerde burger voortdurend via een soort ‘paaipolitiek’ wordt gemonitord en gemanipuleerd. Dan kan kloppen voor het economische verhaal. Maar waar blijft de kritiek op de progressieve elite die evenzeer het opinieterritorium monitort en manipuleert? Ook dat politiek correcte geloof voedt nog veel meer de veenbrand van ongenoegen.

Het voorbijgaan aan nuances over ongelijkheid, afkomst, identiteit, de “natuurlijke” voorkeur voor de eigen groep of natiestaat blijft dus ook bij Heijne ontgoochelend. Geen wonder dat hij eindigt met een oplossing die er geen is: “Er is behoefte aan nieuw engagement. Aan iemand als Bernie Sanders.” Dan staan we weer aan de startlijn van mei 1968, zeker?

Heijne gaat zoals zoveel progressieve, protestante predikanten ervan uit dat conservatief denkende mensen niet zouden bekommerd zijn om het ecologische, het sociale, de “samenhang”, het immateriële, de pluriforme samenleving, een voorgrond creëren voor achtergestelden, et cetera).

Populisme

Veel interessanter dan het al bij al weinig originele verhaal van Heijne en de zijnen zijn de opinies van een aantal (gematigd) linkse denkers die ingaan tegen het monotone denken van de progressieven.

Interessant is wat Tinneke Beeckman schreef in De Standaard (“De loze kreet van het populisme”). Links laat zich wel heel makkelijk meeslepen op de trein van het linkse populisme: “Toen burgers massaal stemden voor de gevestigde partijen, leken ze wijs en betrouwbaar. Dat zijn ze plots niet meer. In één adem volgt twijfel over de democratie. En het label populisme wordt dan al gauw een slimme manier om de tegenstander buitenspel te zetten.”

Politieke tegenstanders – critici van de betweterige EU bijvoorbeeld – worden dan vijanden die moeten wijken, terwijl ook zij wel beseffen dat samenwerking tussen landen noodzakelijk is en ze zich niet tegen die samenwerking keren, maar tegen het apparaat van de EU, die structuren opzette die de lastige mening van de bevolking moeten counteren en een bestuurlijk apparaat (“een eigengereide, weinig transparante EU-elite… technocraten die als niet-democratisch verkozen worden ervaren”) waarmee burgers zich niet verbonden voelen. “Dat moeten ze kunnen doen, zonder dat ze in één of andere donkere hoek worden geplaatst.”

De ‘rug tegen de muur’-retoriek van progressieven over zaken als nationale soevereiniteit, de ‘wen er maar aan’-houding over migratie druist in tegen de essentie van politieke pluraliteit. “Democratie impliceert dat burgers wel degelijk kunnen discussiëren over de toekomst van de samenleving en dus alternatieven kunnen afwegen.”

Eenzelfde geluid bij Maarten Boudry in De Morgen (‘Hoe links zijn eigen kinderen opeet’). Boudry noemt zichzelf links, maar vangt veel kritiek omwille van zijn standpunten over de islam. Hij liep rond in de Amerikaanse universiteit Berkeley, het epicentrum van progressief Amerika. Daar heerst een “doorgeschoten cultuur van politieke correctheid” onder meer over racisme en feminisme. Andere kenmerken zijn de doorgeschoten verheerlijking van diversiteit en de betutteling van minderheden, die ontaardt in een soort omgekeerd racisme. “Diversiteit is heilig als het om ras en gender en seksualiteit gaat, maar uit den boze als het meningen betreft… Wie tegenpruttelt is, naargelang de omstandigheid, een racist, seksist, homofoob en transfoob”. Politiek correcten koketteren met de eigen deugdzaamheid, pronken met de eigen nobele inborst.

Probleem voor de progressieve, intellectuele elite is dan natuurlijk wel dat ze nauwelijks invloed heeft bij de brede bevolking. Zie de orgieën van politieke incorrectheid op Twitter en Facebook. Die hoeven zich echt geen zielige onderdrukte minderheid te wanen.

Door samenlevingsproblemen niet bij naam te noemen, heeft het progressieve kamp de fatale vergissing begaan om veel thema’s te laten monopoliseren door rechts en extreemrechts. En waar komen mensen dan terecht die wakker liggen van migratie en islam?

Kerstwens

“Als politici hun kop in het zand steken over het multiculturele drama, en alle bezorgde burgers wegzetten als racistisch klootjesvolk, dan moeten ze achteraf niet verwonderd zijn dat ze een grote, balorige opgestoken middelvinger van de kiezer krijgen”, besluit Boudry.

In deze kerstperiode kunnen we alleen hopen dat zowel de ultra’s van beide politieke kampen (de reguliere mediachefs, de ridders van de sociale media…) even de mond houden en wat meer gaan nadenken over een waardiger manier om het debat te voeren.

Wie zijn standpunt verengt tot compleet ongenuanceerd gekrijs over “Minder Marokkanen” of na de aanslag in Berlijn over “de doden van Merkel”, is even slecht bezig als wie andersdenkenden “mestkevers” noemt. Beide polen zorgen voor een ongezonde polarisatie.

Anja Pieters