Goed, we hebben dus een taalwetgeving. Al een hele tijd, trouwens, en gedurende die ganse periode liep het fout met de toepassing ervan. Aangezien organen die hierover moeten waken machteloos staan, kijkt men richting politiek. Maar daar zie je dan weer precies het omgekeerde van wat verwacht mag worden.

Tracht het een buitenlander eens uit te leggen. Er bestaat zoiets als een taalwetgeving in dit land, een geheel van bepalingen die het taalgebruik in tal van relaties regelt (burger-overheid, arbeidsrelaties,…). En als men dan weet dat deze al heel wat jaren op de teller heeft staan – de belangrijkste bepalingen zijn al een halve eeuw oud – zou men mogen aannemen dat de toepassing ervan, net als het bijsturen van problematische situaties, al een hele tijd op kruissnelheid functioneert. Niet in België.

Emmanuel Vandebossche, een wat onbekende aan de VUB-verbonden academicus, staat sinds drie jaar aan het hoofd van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (kortweg VCT). De naam van het orgaan klinkt alvast gewichtiger dan haar slagkracht, maar goed, laten we aannemen dat de VCT-voorzitter een gedegen kennis van de problematiek heeft. “Eigenlijk is er sinds de jaren 1960 dus niet veel veranderd”, stelt hij gelaten. “We praten nog altijd over hoe we tweetaligheid moeten afdwingen. De kern van het probleem is hetzelfde gebleven.” Je hebt een VCT en in Brussel zelfs een vicegouverneur met als enige bevoegdheid het opvolgen van de taalwetgeving. Bij overtredingen kan hij schorsen, wat hij ook doet, maar aangezien politieke bekrachtiging in regel uitblijft, is die schorsing niet meer dan een slag in het water.

We vatten samen: je hebt een wettelijke corpus van een halve eeuw oud; op verschillende vlakken wordt dit bewust en schaamteloos met de voeten getreden; er bestaan controle- en sanctieorganen maar die kijken machteloos toe. Trakteert u iemand met een zekere kennis van het Angelsaksische common law op dit verhaal, vergeet dan zeker niet term rule of law te gebruiken. Betreft het een oosterbuur? Gooi er dan beslist de term Rechtsstaatlichkeit ergens tussen…

Franstalige onwil

Even terug naar Emmanuel Vandenbossche, tevens een oudgediende op wat blauwe kabinetten. Terecht merkt hij op dat het Brussels Gewest verantwoordelijk is voor het administratief toezicht op de negentien gemeenten. Dus ook voor de toepassing van de taalwetgeving. De kern van het probleem is politiek. Daar en nergens anders ligt de verantwoordelijkheid voor de disfuncties. En voor de remedie.

De Franstalige onwil is al jaren een realiteit. En zoals wel vaker voorkomt aan Vlaamse kant, wijst men vol zelfbeklag met de vinger naar de andere, zonder bij de eigen verantwoordelijkheid stil te staan. Tot nader order is voor de werking van de Brusselse realiteit een meerderheid in elke taalgroep nodig. Precies hier, zij het in wisselwerking met initiatieven die op federaal vlak genomen kunnen worden, zitten de hefbomen.

Sisyfusarbeid

In de Vlaams-Brusselse politieke microkosmos ontwaren we echter een omgekeerde beweging. Hoe vaak is al geen ballonnetje opgelaten in het voordeel van een “aanpassing” van de taalwetgeving. Deze is immers niet meer afgestemd op de realiteit van vandaag, luidt het. Jammer genoeg is “aanpassing” in deze vooral synoniem voor “versoepeling”. En dat is een beweging die de moeizame positie van het Nederlands enkel kan verzwakken. We kunnen enkel hopen dat de alertheid waarmee zowel de N-VA- als de VB-fractie in het Brussels Parlement deze kwestie blijft opvolgen, aanhoudt. Ook sisyfusarbeid kan soms nobel zijn.

Waar je zou hopen dat de instrumenten in de Brusselse instellingen door de Vlaamse partijen voor het eigen belang aangewend worden, gebeurt net het omgekeerde. Men bergt ze op, in ruil om mee te mogen spelen in de wat zieltogende Brusselse politieke fanfare. Wat zij die Vandenbossche ook weer? “De kern van het probleem is hetzelfde gebleven.” Precies!

KNIN.