We hebben geen racismepolitie nodig, maar taalpolitie, betoogde Carlo Strijk. De Nederlandse krant NRC publiceerde een opiniestuk van Carlo Strijk over het woord ‘zwart’ in onze taal. Met tranen in de ogen volgt hij wat eens begon als een onbevangen debat en nu een bittere, hatelijke strijd is geworden. De eerste gekleurde tv-presentator vertrekt bij Zwarte Piet, maar landt bij de stelling dat “racisme wortelt in onze taal”.

2016-49_05_eric-wouter-van-bellingen-mediumWat zegt Strijk? Dat we voor een beter begrip van het uit de hand gelopen Pietendebat terugmoeten naar de kern van de Nederlandse taal. Daar zit het probleem. Alles wat zwart is, heeft een negatieve connotatie in de taal: iemand zwartmaken, zwartkijker, zwart werk, een zwarte dag, de zwarte lijst, iemand de zwartepiet toespelen, een zwarte bladzijde omdraaien. Dat is natuurlijk zo. Het is maar de vraag wat je daarmee moet…

Gaat het hier om een referentiekader, dat we zomaar of makkelijk kunnen (en moeten) manipuleren? En als we dat al zouden kunnen, móéten we dat dan ook doen? Moeten we nu werkelijk ons taalgebruik aanpassen?

Over Zwarte Piet zijn de discussies zowat gevoerd. Hij is weer de baan op, naar Spanje of zoiets.

Strijk wil dat het debat over ‘kleur’ wel wordt gevoerd. Maar ‘zwart’ zou er niet meer mogen bijhoren. Te negatief. Geen zinnig mens die zal ontkennen dat de Afrikanen ongezellige tijden hebben beleefd. Aan de suprematie van de Europeanen en alle narigheid die daarmee gepaard ging, hoeft niet te worden getwijfeld. Maar pakweg slavernij en racisme waren en zijn geen exclusief westerse ziekte. Ook dat is historisch correct.

Krijgen donkergekleurde mensen een negatief gevoel als ze ‘zwarten’ worden genoemd? Sommigen zeker, en fanatici willen de discussie op de spits drijven.

Les

Strijk roept daarom deskundigen, neerlandici, politici, journalisten en leraars op het woord zwart te “herijken” in taallessen en taalboekjes. “We hebben geen racismepolitie nodig, maar een taalpolitie.” Er moet worden gesleuteld aan het gevoel dat een woord kan oproepen”…

In het taaltijdschrift Onze Taal werd meteen gepeild naar de reactie van de lezers. Is het zinvol woorden als ‘zwart’ en ‘wit’ te bediscussiëren? Is het zinvol om beladen termen ter discussie te stellen?

Van de respondenten vindt twee derde dat geen goed idee, omdat “woorden de werkelijkheid niet veranderen”. Een derde vindt het wel oké om soms “stil te staan bij het effect van beladen woorden”.

Is het woord ‘blanke’, gezien vanuit het perspectief van een ‘zwarte’, niet even discriminerend als het omgekeerde? En vooral, heeft het kwetsen van anderen te maken met het woord of met het misbruik dat er wordt van gemaakt? Met de omstandigheden waarin het wordt gebruikt, en vooral de toon waarop? Er zal altijd wel een percentage mensen zijn die “anderen” uit domheid meent te moeten jennen of kleineren. Junglegeluiden in voetbalstadions zijn wansmakelijk.

Maar geraken we eruit met een van bovenaf gedirigeerde taalpolitiek?

We horen wel meer woorden niet graag. Oude mensen werden oude-van-dagen, bejaarden, senioren. Maar hoe dan ook blijven het oude mensen. De vreemdeling werd allochtoon, en bij ons ‘nieuwe Vlaming’, maar ze blijven van elders afkomstig en daar speelt op zijn minst een kwantitatief probleem. Soms ook een kwalitatief (taal, godsdienst,…).

Afrikaanse zwarten (sorry) werden African Americans, maar het blijven zwarten. Gehandicapten werden mensen met een beperking, en een bejaardentehuis werd een woonvorm voor mensen met beperkte mogelijkheden. Maar verdwijnt daarmee de vervelende handicap?

Stigmatiserend

Deze fors uit te breiden opsomming toont wel aan dat sommige woorden inderdaad beladen geraken. Alleen weten we niet goed waarom dat zo is. Het lijkt erop dat een kleine minderheid ontevreden is met een bepaalde terminologie en dat de rest dan maar moet volgen. Wel stellen we vast dat ook nieuwe woorden na verloop van tijd als stigmatiserend worden ervaren. Het idee schuift mee. Als we het stigma aanpakken, zou ook het woord kunnen verdwijnen, maar dat is niet evident.

Wie fanatiek wordt in zijn geloof in de maakbaarheid van een “pure” samenleving, bereikt niet zelden het tegendeel: een nieuwe polarisatie, die de problemen uitvergroot en alleen maar erger maakt. Die mentaliteit is kenmerkend voor de absolute believers van het politiek correcte denken.

Hebben ze altijd en overal ongelijk? Neen. Maar zolang we donkergekleurde mensen niet neerbuigend “zwart” noemen, is er in de communicatie weinig of niets aan de hand. Dat had zo kunnen zijn in de sinterklaasperiode. Geen kind maakt zich zorgen over die ‘Zwarte Piet’.

De polarisatie komt van links. Wie hierover terughoudend of gematigd denkt, moet het recht hebben en behouden dat te doen. Een democratie hoeft niet alles te pikken wat een opgewonden minderheid meent te moeten opdringen. Het is de context (toon) waarin woorden gebruikt worden die bepaalt of deze een lading krijgen. Links zorgt hier vaak zelf voor een verscherping van context en toon.

Anja Pieters