Een vriend-verzamelaar vindt een paar weken geleden de tweede en een deel van de derde jaargang van dit oostfronterstijdschrift op een rommelmarkt en laat het me lezen (en teruggeven).

Wit en zwart

De geschiedenis van het magazine is beschreven in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Ik beperk me tot de inhoud van die 18 boekjes en doe dat met de blik van de historicus in 2017; daarenboven die van iemand uit een “witte familie” (vader erkend verzetsman, grootvader neergeschoten in Duitsland bij een aanval op een trein). Niet dat ik nooit “zwarten” gekend heb. Buurman Frans was één van de peters van VNV-volksvertegenwoordiger Ward Hermans, die al voor de oorlog geld uit Duitsland ontving. Frans boette en stopte mij toen ik 17 was ’t Pallieterke toe; een levenslange verslaving. Bij de overbuurvrouw kwam geregeld Lode over de vloer; een oostfrontveteraan die in de gevangenis zat toen zijn jonge vrouw stierf. Lode was de vriend van iemand die ik mijn hele leven kende van horen zeggen: Jan de Meulder. Hij was de broer van Julia, de beste vriendin van mijn moeder. De Meulder was luitenant en werd in krijgsgevangenschap lid van de Luitenant De Windekring. Hij was een van de stichters van De Vlaamse Wacht, werd er majoor en stafchef. Volgens Jan Vincx (die ik verscheidene keren ontmoette en die 8 delen “Vlaanderen in uniform” schreef) sneuvelde Sturmbannführer De Meulder in 1945 aan de Oder. Louter toevallig was mijn beste vriend in het Atheneum zijn neef en via hem leerde ik de kinderen De Meulder kennen. Zijn dochter werd geboren op 3 september 1944. Hij kon haar één keer in zijn armen nemen, gaf vrouw Eulalie een kus en vluchtte.

Stijlvol…

Over naar Periodiek Contact, dat verscheen met het later bekende berkenkruis op de omslag. Eerste vaststelling: ieder nummer is een dun (24 pagina’s) boekje dat 10 frank (de prijs van een pakje sigaretten) kost. Zoals bij veel (ex)collaboratietijdschriften merk je onmiddellijk de invloed van de Duitse publicaties en van een icoon als Van Severen. Het magazine is sober en toch stijlvol vormgegeven, met een duidelijk lettertype en geschreven in voor die tijd behoorlijk Nederlands. Het contrast is groot vergeleken met de rommelige stijlloze blaadjes van veel Vlaamse verenigingen uit die tijd. Tweede vaststelling: verantwoordelijk uitgever is Toon van Overstraeten die al op zijn 17de naar het oostfront trok. Er doen nogal wat verhalen over hem de ronde, maar ik heb hem uitsluitend als ondervoorzitter van de raad van beheer van de omroep gekend. Hij was de voorzitter van de jury die over mij moest oordelen om de geldelijke graad van dienstchef te krijgen. Op zeker ogenblik zei ik iets dat hem niet helemaal beviel en hij antwoordde met: “Hoor je de trompetten niet en zie je de vaandels niet wapperen ter ere van de dictator?” De andere juryleden stikten haast toen ik droogweg antwoordde: “Ja, daar hebt u ervaring mee.” Hij stuurde me bij zijn afscheid wel een dichtbundel om me te danken voor de meest Vlaamsgezinde televisieprogramma’s. Ik heb toen enigszins bitter teruggeschreven dat ik nooit iets van die appreciatie gemerkt had toen hij moest stemmen over een bevordering, want ik was geen lid van de Volksunie (of een andere partij).

… en gematigd

Opvallend is de brave en gematigde toon van de artikels in die jaargang 1953. Er wordt haast niet over de repressie en de kwalijke gevolgen daarvan voor de oostfronters gesproken. Het beruchte 123sexies dat zoveel gezinnen ruïneerde, wordt niet vermeld. Alleen tussen de lijnen lees je met veel moeite wat oproepen voor steun aan “onze verminkten en noodlijdenden”, maar echte acties of bijeenkomsten worden niet vermeld. Vermoedelijk ligt de hand van het gerecht nog zo zwaar op de oostfronters – die voor een groot deel hun rechten nog niet terug hebben – dat alles een beetje in het duister gebeurt. Een Walter Ganshof, auditeur-generaal en organisator van de repressie, vermeldt onbevreesd de adressen en telefoonnummers van zijn woning en buitenverblijf (Lammeke Zoet) in de Who is Who van 1958. Er staan artikels in over zware gevechten en over krijgsgevangenschap bij Amerikanen en Russen (maar niets over de eigen gevangenissen). Nergens wordt de lof van de oorlog gezongen, integendeel. Een opvallende rubriek is het portret van een gesneuvelde in de Heldenhulde. Hoe jong zijn de meesten. “Hij bloosde nog als hij een meisje zag”, staat er één keer. Verscheidene keren wordt er hulde gebracht aan gesneuvelde broers; een verschrikking voor de ouders. Bij ene Willem Daelman lees ik dat niemand zijn geboortedatum kende, want “hij stond totaal vereenzaamd in het burgerleven”. En toch was de man een Dinaso-militant en bijna al de geportretteerden zijn jeugdige overtuigde nationaalsocialisten. We hebben het broddelwerk van historica Aline Sax niet nodig om dat uit die biografietjes af te leiden. Idealisten waren het ook, want ze konden veel meer gevaarloos verdienen als Zivilfahnders; de lui die in opdracht van de Feldgendarmerie onderduikers voor de gehate tewerkstelling in Duitsland opspoorden. En dan is er nog de rubriek Sociale Zaken en Zoekdienst. Negen jaar na de oorlog probeert men te weten te komen wat er gebeurd is, waar de kameraad gevallen of verdwenen is. Ik herinner me hoe ik als kleine jongen, aan de hand van mijn moeder, onderaan de Sint-Romboutstoren “de Moe” ontmoette, de moeder van Jan en Julia de Meulder: “Och, Jeanne, gij weet tenminste wat er met uw vader gebeurd is, maar ik weet nog altijd niet zeker of onze Jan dood of levend is.” Al bij al staat er nauwelijks één onvertogen woord in het magazine. Van Overstraeten gaat maar eenmaal uit de bocht, wanneer ie in een boekbespreking meldt “alhoewel het cijfer van 6.000.000 Joodse slachtoffers in het domein der weinig kieskeurige propaganda thuishoort, moet de misdaad niet afgemeten worden aan het getal.” Daar zal ie later, toen het historisch onderzoek zich meer en meer op de Shoah concentreerde, wel anders over gedacht hebben.

Andere toon

In de jaargang 1954 verandert de toon. Van Overstraeten, die pleit voor een verzoening met de echte verzetslui (Jan Vincx zei me dat hij dat in Herentals in de praktijk bracht), is inmiddels vervangen door ene J. Holsters; pseudoniem van de Mechelaar Bert de Ruyter die trouwens ook oproept het verzet te respecteren. Omgekeerd is de liefde waarschijnlijk veel kleiner. De angst voor de repressie is inmiddels wat geweken. Tien jaar na de bevrijding begint in november een rubriek met Juridische Raadgevingen over de repressiewetgeving. Dan durft men het aan een klacht te formuleren over het ministerie van Sociale Voorzorg dat de aanvraag van een verminkte weigert te behandelen omdat hij oostfronter was. Geregeld verschijnen er oproepen hulp te bieden aan kameraden die een been, of beide benen, lieten amputeren en die een behoefte hebben aan een wagentje. Inmiddels zijn er al twintig gewestelijke verenigingen die geregeld vergaderen en een klassiek Vlaams middel gebruiken om geld in te zamelen, zoals “onze Sint-Maartensvrienden hebben het aangedurfd een bal in te richten in de zaal Wontergem”. Ook de oproepen voor werk voor mensen die de gevangenis verlaten hebben, die gehandicapt zijn of die het beu zijn met allerlei spullen te leuren, worden talrijker. En tenslotte ontdek je dat naast duizenden Duitsers in de Sovjet-Unie nog altijd Vlamingen krijgsgevangenen zijn voor wie op Kerstmis gebeden wordt.

Jan Neckers