In 2017 herdenkt men de Russische revoluties. Maak u geen illusie. De democratische Februarirevolutie van begin 1917 zal weinig aandacht krijgen; de brutale staatsgreep van oktober 2017 des te meer, al was dat geen echte revolutie maar een tocht naar de barbarij.

Met horten en stoten

Het is niet omdat iets gebeurd is dat het ook zo moest gebeuren. De communistische tirannie stond niet in de sterren geschreven, maar begin 1914 zuchtte Lenin nog dat zijn generatie nooit de macht zou krijgen. Nauwelijks vier jaar later excuseerde Felix Dzerjinski, hoofd van de nieuwe politieke politie, zich bij Lenin omdat ie op één jaar tijd maar 8.000 “vijanden” had geëxecuteerd… wegens een gebrek aan munitie. Niets wees er tussen 1905 en 1915 op dat Rusland een schurkenstaat zou worden, al was het duidelijk dat de democratisering een langzaam en moeilijk proces werd. Tussen 1890 en 1905 kreeg het land een ander uitzicht. De industrialisering begon op grote schaal in de steden, waar men dankzij vele Franse en Belgische (maar geen Duitse) leningen en de goedkope en talrijke arbeiders de fabrieken uit de grond stampte. Fabrieken van minder dan 1.000 arbeiders waren zeldzaam. Goede verhoudingen zoals die dikwijls tussen patroon en arbeiders in kleine zaken bestaan, waren er niet en de kloof tussen bazen en ondergeschikten bleef altijd groot, en door overmatig drankgebruik eindigden conflicten dikwijls met geweld. Toch bleef Rusland nog altijd een land van boeren, die 85 procent van de bevolking uitmaakten. De lijfeigenschap was in 1861 afgeschaft, maar de grond werd maar met mondjesmaat verdeeld. 1 procent adellijken bezaten nog altijd 25 procent van het land. De staat had veel andere edelen vergoed in ruil voor hun grond, en stelde die grond ter beschikking van de dorpsgemeenschappen, maar niet van individuele boeren die dus geen zelfstandig eigenaar werden. Alle boeren moesten wel ieder jaar een fikse som betalen aan de dorpsgemeenschap, die met dat geld de overheid compenseerde voor de onteigeningsvergoeding. Vooruitgang ging dus met horten en stoten, maar aan de vooravond van de oorlog kon 65 procent van de Russische mannen lezen en schrijven. Het staatstoezicht op de universiteiten was sterk verminderd en duizenden burgerkinderen studeerden er een beetje en agiteerden er des te meer, want zij aanvaardden niet langer het volslagen verouderde politieke systeem dat schijnbaar alle vooruitgang tegenhield.

Het leger redt de monarchie

Keizer Alexander II (de “tsaar-bevrijder” die de lijfeigenschap afschafte) werd opgevolgd door zijn zoon Alexander III, die een echte reactionair was en geen enkele politieke toegeving wou doen aan de groeiende burgerij en de intellectuele elite. De “autocraat” was de enige bron van politieke macht. Hij stierf vrij jong en werd opgevolgd door zijn zoon Nicolaas II; een voorbeeldige familievader maar een politieke onbenul. Zijn vader had hem nooit betrokken bij het beleid en hij kende niet eens zijn ministers. Nicolaas, die getuige was geweest van de moord op zijn grootvader, zette de hardhandige politiek van zijn vader voort. Elf jaar na zijn troonsbestijging leek het er korte tijd op dat zijn dynastie gedoemd was te verdwijnen, tijdens de opstand van 1905, nadat de zoveelste economische crisis en een (verloren) oorlog tegen Japan de troon deden wankelen. Maar de adel, het leger (iedere officier was nog een edelman) en de hoge burgerij schaarden zich rond de troon als baken van gezag en rust. Zij het wel in ruil voor ernstige toegevingen.

Een vleugellam parlement

Rusland moest een constitutionele monarchie worden met een parlement (de Duma), verkozen met algemeen maar meervoudig mannenstemrecht, waarbij de stem van de rijken meer telde dan die van de armen (hetzelfde systeem toen in België). Maar de keizer begreep niets van de veranderingen in zijn land. Hij leefde met zijn familie volkomen geïsoleerd in een gemakkelijk te bewaken paleis buiten de hoofdstad Sint-Petersburg. Met gewone Russen had hij nooit contact en hij verkoos te geloven dat zij hem als hun “vadertje” beschouwden. Hij wilde geen afstand doen van zijn autocratische macht. Zodra het leger loyaal de opstanden had neergeslagen, herriep hij beloften die hij tegen heug en meug had gedaan. De verkiezingen voor de Duma verliepen goed; temeer omdat sommige kleine maar gewelddadige socialistische partijen niet deelnamen. Maar een paar dagen voor de eerste Duma bij elkaar kwam, vaardigde Nicolaas weer ordonnanties uit waarbij alle macht van hem uitging. Hij weigerde de ministeriële verantwoordelijkheid te erkennen en dat eerste Russisch parlement was dus deels vleugellam. Wel werd de vrijheid van mening en vergadering erkend. Dat leidde op korte tijd tot een levendige pers die haar vitriool niet spaarde. Vakbonden werden legaal. Maar het probleem was dat alles willekeurig afgeremd werd omwille van de “staatsveiligheid”. In dat reusachtige en soms chaotische Rusland hadden hoge bureaucraten en politiemensen altijd de mogelijkheid kranten of verenigingen te verbieden in een district, terwijl er honderd kilometer verder geen probleem was. Nicolaas zelf was geschokt door wat in zijn ogen misbruiken waren en hij ging steeds harder op de rem staan. Hij aanvaardde de gerechtvaardigde kritiek op zijn politiek niet en ontbond verscheidene keren het parlement. Iedere keer liet hij de financiële verkiesbaarheidseisen opschroeven zodat de Duma steeds conservatiever en minder representatief voor Rusland werd. In zijn laatste Duma zaten zoveel aristocraten en rijken dat het geregeld zwaar botste met de regering van de keizer. Die stelde soms maatregelen voor om de sociale zekerheid (die wel degelijk bestond) en de bescherming van arbeiders en boeren uit te breiden en botste op een parlement waar een meerderheid dat niet wenste. Nicolaas had zes jaar lang één grote troef: de bekwame eerste minister Pjotr Stolypin, die echter door zijn eigen keizer geregeld tegengewerkt werd. Stolypin probeerde de grond te privatiseren zodat een zelfstandige en conservatieve boerenstand kon ontstaan. Toen hij vermoord werd, in 1911, was dat nog maar voor 10 procent geslaagd.

De vlucht vooruit

Na de rampzalige Japans-Russische Oorlog matigden de Russen eventjes hun pretenties. Ze verplaatsten hun aandacht weer naar Europa en naar de Balkan, waar ze op de invloed van Oostenrijk-Hongarije stuitten en zelf de agressieve Serviërs steunden. De Russen keken met een begerig oog naar het zieltogende Ottomaanse Rijk. Als zelfgekozen opvolger van Byzantium bleef het een Russische droom Constantinopel te bezitten en de Dardanellen te controleren zodat de Zwarte Zee een Russisch binnenmeer werd. De goede havens zoals Odessa, langs waar de meeste Russische goederen geëxporteerd werden, waren dan volkomen veilig. Nicolaas was ook een groot voorstander van de russificatie van de vele minderheden, die hij meer en meer tegen zich in het harnas joeg. Toen in de zomer van 1914 de spanning steeg, twijfelde Nicolaas even, want een oorlog kon twee kanten uit. Hij koos voor de vlucht vooruit. De keizer gokte erop dat het hele land zich in een oorlog achter hem zou scharen, zodat de constitutionele monarchie weer wat verder weg was. Gedurende een paar maanden overtuigde die agressieve Russische politiek het land, maar het botste op een even agressief Duitsland. De Duitse generaals overtuigden elkaar dat Rusland tegen 1920 economisch en militair onverslaanbaar zou zijn, dus kon men er beter nu komaf mee maken.

(Vervolg en slot toekomende week)

Jan Neckers