Bij de officiële klaagzang over het klimaat kunnen heel wat vragen gesteld worden. In het vorig nummer van dit blad zette ik de redenen uiteen waarom dat zelfs een heel redelijke bezigheid is. Maar waarom zijn pers en politiek dan zo fanatiek gehecht aan de meest verontrustende veronderstellingen over de klimaatevolutie? Welke belangen of ideeën kunnen hun voorliefde voor een eenzijdige en extreme voorstelling van zaken verklaren?

Het idee dat de natuur goedaardig maar breekbaar is, is een bijzonderheid van deze tijd en deze beschaving. Sinds de jaren zeventig zien we de mens, in zijn verhouding tot de natuur, steeds meer als een roofzuchtige materialist, die in zijn drang naar verrijking heel wat broze evenwichten verstoort en daardoor alle leven op de planeet bedreigt. Deze (weinig feitelijke) ideologie bleek uiteraard, wanneer op het einde van vorige eeuw duidelijk werd dat er een opwarming van de aarde aan het optreden was, heel ontvankelijk voor de boodschap van menselijke schuld. We geloven vooral wat we willen geloven.

Goed nieuws is geen nieuws

Deze gunstige voedingsbodem kreeg nog wat extra ondersteuning van het “tiers-mondisme”, de opvatting dat het Westen de schuld draagt voor alle problemen in de derde wereld en dat tot het einde der tijden moet goedmaken door geldoverdrachten. Het verhaal van klimaatrampen, in theorie veroorzaakt door westerse industrie, maar met de ergste gevolgen voor de derde wereld, past naadloos in die visie. Elke klimaatconferentie wordt steevast beëindigd met de belofte van het Westen om nog meer miljarden aan derdewereldlanden te schenken als “hulp bij de strijd tegen klimaatopwarming.” Tegen 2020 zal die vrijgevigheid zelfs 100 miljard dollar per jaar bedragen.

De ideologische voorbeschiktheid van onze samenleving verklaart echter slechts ten dele het gemak waarmee de klimaatreligie zo dominant geworden is in het publieke debat. Voor elk van de betrokken actoren zijn er ook nog bijzondere redenen waarom het verhaal zo aantrekkelijk is.

Voor de media is de verklaring eerder simpel: slecht nieuws verkoopt. “Vreselijke catastrofe op komst!” is een veel boeiender titel dan “Niets aan de hand”. Reken daarbij nog het linkse overwicht in onze media en de luiheid van journalisten, die kritiekloos gebruik kunnen maken van de voorgekauwde “nieuwsberichten” van milieuverenigingen en klimaatagentschappen, en je begrijpt hoe gemakkelijk het klimaatalarmisme gedijt in de pers.

De laatste toevlucht voor traditionele politici

Maar vooral de politieke wereld blijkt erg vatbaar voor de klimaatideologie. Meer zelfs, de berichten van komende rampspoed blijken een godsgeschenk voor partijen op zoek naar relevantie in snel veranderende tijden. De Europese Unie fungeerde lang als de laatste toevlucht van de traditionele politiek. De beloftes van deze heilstaat waren vaag genoeg om ze gedurende lange tijd niet ontmaskerd te zien als de bezigheidstherapie van een nutteloos geworden politieke generatie. Maar op die illusie zit nu zware sleet. De strijd tegen de klimaatverandering wordt daarom niet alleen een centrale bezigheid van de kwakkelende EU. In de overlevingsstrategie van traditionele politiek wordt ze zelfs belangrijker dan die instelling zelf.

Het gepolitiseerde klimaat biedt immers waanzinnig veel voordelen tegenover andere beleidsterreinen. Ten eerste omdat het klimaatbeleid eigenlijk niet kan afgerekend worden op zijn resultaten. Het streefdoel van de conferentie van Parijs moet pas gehaald worden in 2100. Pas dan zullen “we” weten of de zeer dure klimaatplannen nuttig en zinvol zijn geweest. Een pracht van een politieke zwendel is dat. Vandaag moeten wij vertrouwen geven, maar pas binnen een eeuw weten “we” of daar ook iets tegenover staat.

Het tweede voordeel voor de politici is dat de (zelfverzonnen) inzet zo hoog is. Wie zijn wij om te zaniken over beuzelarijen als geldstromen naar Wallonië, terrorisme, migratie of economische stagnatie, terwijl Verhofstadt, Belet en Van Brempt werken aan maatregelen die gewoon de hele planeet van de ondergang zullen redden?

De klimaatreligie

Karl Marx noemde godsdienst ooit “opium voor het volk. Eigenlijk vervult het klimaatgeloof vandaag dezelfde rol. Het laat een voorbijgestreefde politieke kaste toe de aandacht af te leiden van problemen die het niet kan of, om ideologische redenen, niet wenst op te lossen.

Het was de schrijver Michael Crichton die als eerste het klimaatdiscours als een soort religie identificeerde. Deze godsdienst heeft zijn eigen geloofsbelijdenissen, rituelen en ketters. Het veranderende klimaat wordt zelfs in alle ernst gebruikt als verklaring voor problemen als armoede, oorlog en migratie, vergelijkbaar met de goddelijke interventie die in andere tijden een steeds dienstige uitleg was. Niets versterkt mijn klimaatscepticisme trouwens zoveel als dit soort manifeste flauwekul die niet wordt tegengesproken door andere klimaatgelovigen. De tolerantie voor nonsens en overdrijving wijst erop dat wetenschap en liefde voor de waarheid definitief ondergeschikt zijn gemaakt aan militantisme voor “de goede zaak”.

Het voornaamste godsdienstige kenmerk van deze schijnwetenschap is, volgens de conservatieve politicus Nigel Lawson, de visie op de mens als onvermijdelijke zondaar, wiens schuld enkel kan vergeven wordt als hij boete doet. Het valt op dat bij de grote klimaatconferenties de nadruk meer ligt op de aanzienlijke offers en  inspanningen die we absoluut moeten leveren, dan op de onbewezen en futiele resultaten die de dure klimaatplannen ooit kunnen hebben. Met offers hopen we de wraakzuchtige klimaatgod gunstig te stemmen.

Dat politici en pers heel gevoelig zijn voor ideologie en daarom de waarheid wel eens op systematische wijze geweld kunnen aandoen, leerden we al uit andere dossiers, zoals immigratie en islam. Maar waarom zouden wetenschappers zich daartoe lenen? Wat is eigenlijk de correcte inschatting van de aanzienlijke wetenschappelijk steun voor de klimaatreligie? Daar kom ik graag op terug in het derde en laatste deel van dit artikel.

Jurgen Ceder