Referenties naar Hitler en de jaren dertig zijn afgezaagd, maar vorige week slaagde de Algerijns-Amerikaanse cartoonist Khalil Bendib erin me te verrassen door zijn vergelijking van Trump met Attila de Hun.

Weinig met zekerheid bekend

Toen de scholen nog geschiedenis doceerden, leerden alle leerlingen de uitdrukking “waar Attila langskomt, groeit geen gras meer”. Dat werd bij Khalil Bendib: “waar Trump langskomt, bestaat geen democratie meer”. Dat wordt dan gezegd door een aanhanger van een misdadige ideologie, gesticht door een roofmoordenaar die een waardig opvolger van Attila was. Ondanks zijn reputatie weten we nog altijd zeer weinig over Attila en zijn Hunnen. Waar kwamen ze vandaan? Welke taal spraken ze? Uit Azië, maar uit welk deel? Spraken ze een Prototurks? Zeker is het allemaal niet.

Alle bekende bronnen zijn geschreven in het Grieks en het Latijn door hun vijanden, en zijn dus wat verdacht. De Hunnen duiken voor het eerst op in 370 na Christus, wanneer ze in korte tijd een enorme lap grond tussen de Zwarte Zee en Zuid-Duitsland veroveren. Ze drijven de Germaanse volkeren, zoals de Alanen en de Gothen, voor zich uit. Volkeren die zich niet onderwerpen aan die Aziatische nomaden vluchten naar het Romeinse Rijk, en zo stormen de Hunnen de geschiedenis binnen. De Hunnen vormen een mengelmoes van clans en stammen die soms samenwerken en soms elkaar bevechten over de weidegronden voor hun paarden en hun vee. De klassieke kroniekschrijvers beschrijven hun uiterlijk: klein, taai, gelooide huid, smalle oogjes, weinig baardgroei en een conische schedel, want de Hunnen vervormen de schedels van hun pasgeborenen (evenals veel Germaanse stammen). Over hun ruitercapaciteiten is iedereen het eens: angstwekkend goed. Ze kunnen nauwelijks normaal lopen, maar ze lijken één met hun paard. Hun favoriete wapens zijn de lans, de boog (150 centimeter, met pijlen van 75 centimeter) en een lang cavaleriezwaard (83 cm). Feitelijk zijn ze niet met zo veel, maar ze duiken altijd vlugger op dan verwacht zodat ze tijdelijk een meerderheid bezitten, en ze zijn meesters in schijnterugtochten waarna de tegenstanders in hun val lopen.

Afpersers

Attila wordt geboren tussen 390 en 395. Zijn ooms leiden op dat ogenblik de Hunnenclans, die almaar verder in westelijke richting oprukken. Hun rijk strekt zich uit over Zuid-Rusland, Oekraïne, Roemenië, Bulgarije, Zuid-Polen, Hongarije, Oostenrijk en Zuid-Duitsland. In hun vlucht voor de Hunnen profiteren verscheidene Germaanse stammen van de ijskoude winter van 406 die de Rijn doet bevriezen. Ze vallen het West-Romeinse Rijk binnen en nemen delen van Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika in. De verhouding tussen de Hunnen en het West- en Oost-Romeinse Rijk is ambivalent. Grote groepen Hunnen zijn dikwijls goedbetaalde huurlingen die Germaanse migranten in bedwang houden of onder Romeins gezag uitmoorden. In 434 volgen Attila en zijn broer Bleda hun ooms op als leiders van de Hunnenconfederatie. Een echte dynastie vormen ze niet, want ze kunnen hun gezag alleen handhaven door succesvolle militaire veldtochten en ze moeten de stam- en clanhoofden geregeld verwennen met veel buit. Ze zijn vooral geïnteresseerd in het Oost-Romeinse imperium dat veel rijker is met zijn handelsroutes en ambachtelijke producten. Ze beginnen dus met lucratieve afpersingsoperaties. In ruil voor veel goud en de uitlevering van naar Constantinopel gevluchte vijandige stamgenoten willen ze hun plundertochten wel een paar jaar opschorten.

Dierlijke wreedheid

Maar vanaf 440  gaan ze er vol voor. Jaar na jaar verschijnen ze ten zuiden van de Donau die de rijksgrens is en ze dringen steeds verder door. Ze bezitten inmiddels ook belegeringstorens en stormrammen, en overal vallen steden en stadjes in hun handen. Met dierlijke wreedheid worden de inwoners vermoord of tot slaaf gemaakt. In totaal veroveren en plunderen ze ongeveer honderd steden. Ze verslaan het ene na het andere (kleine) Romeinse leger. Het grootste deel van de Balkan wordt een woestijn. Twee keer rukken ze ook op naar Constantinopel, maar de dubbele muren van de stad houden stand. Ten slotte gaan de Oost-Romeinse keizers door de knieën en beloven een groot deel van hun goud aan Attila. Inmiddels is hij de enige leider van de hordes nadat zijn broer sterft of door hem vermoord is. Attila weet dat er in de Balkan nog weinig te halen is en richt zich naar het Westen. Met een belachelijk voorwendsel trekt hij in 451 de Rijn over. De zus van de westerse keizer heeft hem een brief geschreven en hij beweert dat het een huwelijksaanzoek is, waarna hij het halve rijk opeist. Tongeren ligt een beetje buiten de invasieroute en wordt gespaard (door de beden van Sint-Servaas wil de legende) maar in een ronde van Noord-Gallië moeten Metz, Amiens en Reims (bisschop vermoord aan zijn altaar) eraan geloven. Franken, Bourgondiërs en Gothen, die inmiddels grote delen van Gallië beheersen, verenigen zich, onder de leiding van de Romeinse generaal Aetius, die zelf nauwelijks Romeinse soldaten meebrengt. Historici hebben geen spaander heel gelaten van de reusachtige getallen die klassieke auteurs citeren. Ze vermoeden dat de twee legers ongeveer even sterk zijn, elk 45.000 man. De slag bij de Catalaunische velden (Chalons-en-Champagne) eindigt onbeslist. Attila trekt zich ongehinderd met zijn leger en de buit terug over de Rijn. Maar zijn aura van onoverwinnelijkheid is hij kwijt. Zijn tegenstanders achtervolgen hem niet omdat hun vorsten het druk hebben hun troon te verzekeren.

Verstrooid en verdwenen

De Hun is niet verslagen, want het jaar daarna valt hij Italië binnen; daar is nog veel te rapen. De Hunnen gaan op sommige plaatsen zo fel tekeer dat mensen die later terugkeren met moeite hun verwoeste woonplaatsen terugvinden. Attila bereikt de Po en moet daar halt houden. Twee jaar na elkaar is in Italië de oogst mislukt en hij kan zijn legers niet langer met gestolen voedsel bevoorraden. De West-Romeinse keizer stuurt onderhandelaars (onder wie paus Leo) en de Hun is bereid zich terug te trekken, uiteraard met behoud van alle buit. Het wordt weer tijd naar het oosten te trekken, maar begin 453 krijgt Attila een hersenbloeding (of hij wordt vermoord door de zoveelste nieuwe bruid) en hij sterft. Onmiddellijk vliegen zijn zonen elkaar in de haren, beoorlogen elkaar en verscheidene Germaanse bondgenoten profiteren ervan om onder het juk van de Hunnen uit te komen. Nauwelijks vijftien jaar na Attila’s dood zijn de Hunnen verstrooid en is het Hunnenrijk verdwenen. Maar de reputatie van de “gesel Gods” blijft eeuwenlang ijzersterk. Sommige volkeren (Hongaren) en hun vorsten beweren dat ze de afstammelingen van Attila zijn, al is daar weinig bewijs voor. Maar het begrip Hun blijft bestaan. Wanneer de Duitse keizer Wilhelm soldaten stuurt naar China, om de Boksersopstand neer te slaan, houdt hij een beruchte toespraak. In de officiële notulen is een zin gecensureerd die hij wel degelijk uitspreekt: “Nog altijd is na duizend jaar de naam bekend van Attila en zijn Hunnen. Zorg ervoor dat op een gelijkaardige wijze geen Chinees in China een Duitser schuin durft bekijken.” Zo gedragen de Duitsers zich inderdaad in 1914 en in ‘41-’45, zodat ze in de wereldoorlogen de bijnaam Hunnen krijgen. En nu is er dus een opvolger voor Attila gevonden in Washington…

Jan Neckers